Onze Zola van de Zuiderzee

Literaire critici hebben de vorige week overleden `verteller' Jan de Hartog nooit serieus genomen. Ten onrechte, blijkt uit een late lezing van zijn beroemdste boek `Hollands glorie'. Een met opgestroopte mouwen geschreven Hollands geuzendrama.

`Als ik de wereld had moeten bestormen met de aanbevelingen van de dames en heren Nederlandse critici op zak, had ik me net zo goed met een potkachel in de armen in de Singel kunnen storten', schreef Jan de Hartog. Men beschouwde hem als een `verteller', een predikaat waarmee je in Nederland in de tweede helft van de twintigste eeuw er meteen uit lag als het om de literaire canon ging. Met hetzelfde predikaat werden schrijvers als Israël Querido, Herman de Man, Antoon Coolen, A. den Doolaard, A.M. de Jong of Ina Boudier-Bakker in het vergeetboek bijgeschreven.

Je kunt je afvragen of dat terecht is. Helaas stel je zulke vragen pas bij het overlijden van zo'n `verteller'.

Zo las ik na de dood van de verteller A. den Doolaard in 1994 diens De herberg met het hoefijzer (1993). Ik kon de abservierende literatuurcritici eigenlijk alleen maar gelijk geven. Een draak van een novelle, links gecomponeerd, links geschreven. Geen mooie regel in aangetroffen. Ver na haar dood opende ik Madelon Székely-Lulofs novelle De hongertocht (1936): dat bleek een in de literatuurgeschiedenis weggemoffeld meesterwerkje. Vorige week overleed de verteller Jan de Hartog. Ik had nooit een roman van hem gelezen en begon aan Hollands glorie, zijn beroemdste boek.

Een lezer in het jaar 2002 moet een aantal weerstanden overwinnen bij een roman als deze. Ik noem de geschiedenis van Jan Wandelaar, de hoofdpersoon van Hollands glorie, `een gespierde geschiedenis'. Niet alleen Wandelaar weet van aanpakken, maar ook auteur De Hartog schrijft met opgestroopte mouwen. In plaats van handen lezen we over knuisten, knoesten en klauwen, in plaats van gepraat wordt er gebulderd en gebruld en de sleepboten `hangen scheef te grommelen in de strengen, als een trekdier, dat van de zweep heeft gelust.'

Bodybuilders-proza op het eerste gezicht, gezwollen verbeelding, windkracht-dertien-taal. Ik moest denken aan de Jeroen Brouwers van romans als Winterlicht (1984) of De zondvloed (1988), waarin de maat der dingen eveneens door anabole steroïden lijkt te zijn bepaald. Maar het verschil is meteen duidelijk. Bij Brouwers gaat het om het ronken zelf, bij De Hartog is het gespierde `functioneel', zoals naakt dat in de film kan zijn. De wereld van de zeesleepvaart is tenslotte niks voor watjes.

En toch zijn de eerste honderdvierenzeventig pagina's van Hollands glorie vermoeiend. Ik verlangde naar stilte en rust, naar het spreekwoordelijke huisje met tuintje voor en achter op het zand bij Apeldoorn – het toekomstbeeld van een van de figurerende kapiteins in Jan de Hartogs glorieavonturen. Er waren uitdrukkingen en zinswendingen die eerder met de meniekwast dan met de pen geschilderd lijken – `een kabouter van een grijsaard', `zijn prakje is best en het geeft een mens een hart'. Je stuit voortdurend op zeeslepersjargon (`sleis', `rukking', `zware waai'), hier en daar lijkt De Hartog de boel te `maritimiseren' in net iets te lollige uitdrukkingen als `een botje zoeken in een bun schollen' of `een stad kennen als je klepbroek'. `Een gezellige schommel van een tobbe' als beschrijving van een sleepobject lijkt op het melige af. En van de manier waarop beschreven wordt hoe een sleepbootje een in een gracht vastgelopen schuit (`Tante Coba' genaamd) probeert vlot te trekken werd ik niet warm: `Een klein keffertje van een scheepje, het smijt zich in de tros of het een teefje gepeild heeft op de wal. Tante Coba houdt haar vast aan de halsband, maar jawel, daar knapt het touwtje en het keffertje schiet er borrelend van tussen, een schuimstreep over de gracht, een klap, het ketst tegen de schoeiing en deinst met hoofdpijn terug.'

`Gedateerd proza', ik herinner me heel helder dat ik mij die twee woorden als kop boven een essay over Hollands glorie heb voorgesteld.

Ik mat mijn lange tanden en vroeg me af of ik dit stuk af zou blazen – het is niet kies om een schrijver vlak na diens overlijden dood te verklaren. Maar ik las verder, door onzichtbare hand gedreven. Jan Wandelaars leertijd, zijn eerste huwelijk, stuurmansdiploma, de eerste aanvaring met de nietsontziende sleepmagnaat Kwel, een begin van georganiseerd werknemersverzet, gevolgd door cellulaire opsluiting. Veel roering, veel storm, een stoet aan personages maar allemaal met handen, voeten en een gezicht, krachtdadige beschrijvingen die nergens helemáál uit de hand lopen – misschien begon ik gaande die eerste negen hoofdstukken van Hollands glorie toch onbewust respect te krijgen voor de auteur. Was het slechts een spannend boek van wat men `een rasverteller' noemt? Een romantisch-realistische roman van het ongecompliceerde soort? Ik begon sterk te aarzelen.

Het komt maar zelden voor dat de eerste zin van een boek je al meteen grijpt. Meestal duurt het toch even voordat je er als lezer `helemaal in zit'. Tot dat punt merk je dat je bladzijden omslaat. Soms blader je vooruit: hoeveel pagina's nog? Je bent je ervan bewust dat je léést.

Ik vergat dat pas op pagina 174 van Hollands glorie. Op die plaats wisselt Jan de Hartog van stijlregister. Hij heeft een verteller tussen hem en de lezer in geplaatst: hoofdpersoon Jan Wandelaar, die een reeks brieven naar huis schrijft. Dat is een ingreep die van literair meesterschap getuigt. We waren eerlijk gezegd het spoor een beetje bijster geraakt tussen de bemanningsleden van uiteenlopende zeeslepers, en ook Jans vrouw Nellie kan een geheugensteuntje als `Bulle Brega', je weet wel, die runner van de `Scottish Maiden', goed gebruiken.

Tegelijkertijd verlaagt De Hartog zijn adembenemende verteltempo. De storm aan gebeurtenissen gaat liggen in de luwte van Wandelaars briefschrijven in zijn hut. Er worden weliswaar bloedstollende avonturen verteld, maar met de kalmte van de man die het allemaal al achter de rug heeft. Met het zelfinzicht en de overwegingen van Wandelaar winnen de karakters van Hollands glorie aan diepte. Daarbij bouwt De Hartog weer nieuwe spanning op, want Jan Wandelaar vertelt zijn vrouw dat de gewetenloze reder Kwel zijn bemanning bewust op een wrakke schuit de ongewisse zee heeft opgestuurd, met het oog op de verzekering bij vergaan.

Na het deel `brieven naar huis' voert De Hartog het tempo weer op. De strijd tegen de elementen is opnieuw hard, het leven bitter (echtgenote Nellie sterft in het kraambed), en de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden spitst zich toe op een vete tussen reder Kwel en de intussen kapitein geworden Wandelaar. Toch is er iets veranderd. Er is niets meer dat stoort of vermoeit. Je merkt niet dat je leest en verslindt wat De Hartog je voorschotelt.

`De sleep wordt duur betaald.' Automatisch denk je aan deze variatie op de beroemde Kniertje-verzuchting uit Herman Heijermans' Op hoop van zegen (1900). Ook De Hartog zelf heeft zijn schatplicht aan Heijermans' sociale inslag beleden, net als (als het om `Hollands realisme' gaat) aan Arthur van Schendels maritieme roman Het fregatschip Johanna Maria (1930). Heijermans en Van Schendel konden in tegenstelling tot Jan de Hartog door de literair-kritische beugel, maar wie in Hollands glorie eenmaal de keerkring van pagina 174 is gepasseerd moet dit wel bijna een schandaal noemen.

Natuurlijk zijn er tijdgebonden passages: `Omdat hij dat zo krachtdadig zegt en het zo eerlijk uit die brave borst komt, zo echt geuzig, is het gezelschap enthousiast en zingt in koor: Oranje boven, Oranje boven, leve de Willemien, weg met de sosialen, leve de Willemien. Daar ga je! Hoezee! [...] Daar ga je, bliksem, kapitein, geef me de vijf, [...] daar ga je, hoezee, leve de sleepvaart, weg met de sosialen, oranje boven, daar ga je; muziek!'

Maar wie ziet hoe Jan de Hartog het werkelijk niet eenvoudig onder woorden te brengen natuurverschijnsel als een zonsondergang voor opvarenden beschrijft, is verkocht: `Ze lijken te varen in een zee van vuur; iedere golf weerkaatst de brand in het westen met duizenden blakkerende schubben, die beginnen te glanzen als parelmoer, met tere, rose en zacht-blauwige tinten, wanneer de hemel overwaasd wordt door de mildheid van de voornacht.[...] De golven vervloeien van rood door paars naar diep blauw, met zacht-groene vleugen; als het donker opwelft uit het oosten is het bijna beangstigend, die wemeling van nooit geziene tinten tegen het egale zwart van de rijzende kim.'

Bij zo'n beschrijving vergaat elke wens er zelf bij te zijn geweest. Je hebt genoeg aan De Hartogs woorden.

Had Jan de Hartog zich in plaats van de pen van het penseel bediend, we zouden hem een `genreschilder' hebben genoemd. Met titels als De ondergang van `De vrijheid' (1939), Schipper naast God (1945), Scheepspraat (1958) en De kapitein (1967) als de zee-pendanten van de `Bloemen-Breughel', van Saenredam (genre kerkinterieur), Avercamp (ijspret-specialist), etcetera.

In de literatuur zou ik niet gauw een auteur weten met wie men De Hartog zou kunnen vergelijken. Er is natuurlijk een collega als K. Norel – de auteur van maritieme jongensboeken als de trilogie Engelandvaarders (1945), maar dat zijn dus jongensboeken. Moeten we de naam Herman Melville noemen, auteur van de klassieker Moby Dick (1851)? Misschien is De Hartog bij hem vergeleken te krachtdadig, te geuzig en komt alles te eerlijk uit die brave borst. En wie Jan de Hartog naast Melville legt, mist de internationale, oud-testamentische adem van laatstgenoemde.

Ik blader terug in Hollands glorie en herinner me de rest van het verhaal. Via stoute sleperstukjes op de wereldzeeën met zijn eerste eigen sleepboot weet Jan Wandelaar voldoende kapitaal te verwerven om twee grote slepers te laten bouwen, waarmee hij de grote, wrakke vloot van Kwel & Co in de internationale concurrentie achter zich laat. Wederom blijkt de sleep duur betaald: Wandelaar verliest ook zijn tweede, veel jongere vrouw. De glorie heeft zijn prijs, maar zeegeus Wandelaar wandelt verder over de wereldzeeën, tot roem en eer voor 't Vaderland misschien, maar vooral omdat hij niet anders kan en wil dan slepen.

Dan stuit ik op een passage die me Jan de Hartog `de Emile Zola van de zee' doet noemen. Aan boord van een Wandelaar-sleper is een haai gevangen: `Het dek wordt rood en glibberig, de bootsman en Kees hakken en stoten met hun lange messen, kreunend als zij de punt door het harde vel persen, wankelend als het lemmet doorschiet in het zachte vlees. Het wordt een orgie van bloed en lillende vleeslappen en kwabbende, blauwgrijze ingewanden; ze ritsen de maag open, om te kijken wat er in zit: een bot, een gedeukt sardineblikje, en een grauw-bruine, scherp stinkende massa. Als ze hun bloeddorst naar hartelust gekoeld hebben; het monster gestroopt de huid te drogen gehangen, dof en ruw aan de buitenkant, zijde-achtig glanzend van binnen; als Bulle het eind van de ruggegraat heeft losgehakt, om er een wandelstokje van te maken, en Schol de stoker vergeefs geprobeerd heeft om een paar van die messcherpe tanden uit te breken, bezield door een dwaze, blinde haat; dan gaan de brokken overboord, waar de zee onmiddellijk in heftige beroering raakt, als de broeders van de overledene elkaar de buit betwisten, de dekwasslang spoelt de resten van de bloedbruiloft weg.'

Waarom Zola? Vergelijk deze orgiastisch-bloederige beschrijving van De Hartogs haaienslacht in Hollands glorie met de plastiek waarmee Zola de lijdenden beschrijft in de trein naar Zuid-Frankrijk, in diens antibedevaartroman Lourdes (1894). Stinkende, open wonden, tuberkel-bacillen die met vaart de coupé in worden gehoest, gangreen-gevallen, verschrikkelijk. Het haaienvangst-citaat toont vergelijkbare kwaliteiten in Jan de Hartogs talent, en ik meen dat hij dat talent ook heeft benut. Na zijn verhuizing naar de Verenigde Staten (wegens de Nederlandse literaire kritiek?) werkte Jan de Hartog uit religieuze overtuiging (hij werd Quaker) een tijdlang in een Amerikaans armenziekenhuis. Hij schrok er van de primitieve toestanden, zag kraamvrouwen baden in hun eigen bloed en greep de pen. Ik heb zijn pamflet (The hospital, 1965) niet gelezen, maar verwonder me niet één moment dat het is vergeleken met het beroemde Zola-pamflet J'accuse. Wie zo een bloedbruiloft op zee kan schilderen, is tot veel machtigs in staat.

Ik heb nog een stapel titels laten klaarleggen van onze eigen, vaderlandse Emile Zola van de zee in het beste antiquariaat van Amsterdam. Hollands glorie heb ik gelezen, maar ik ga mijn klok stilzetten. Er is méér De Hartog in te halen.

`Hollands glorie' is net als de rest van het oeuvre van Jan de Hartog op het moment alleen antiquarisch verkrijgbaar. Uitgeverij A.W. Bruna overweegt een herdruk. In januari verschijnt een nieuwe editie van `De kleine ark' ter gelegenheid van de herdenking van de watersnoodramp van 1953.

Gerectificeerd

Correctie

In het bijschrift bij de illustratie van het artikel `Onze Zola van de Zuiderzee' (Boeken, 04.10.02) staat vermeld dat de desbetreffende foto is genomen `bij St. Agnes, Sicilië'. Dat had moeten zijn: `bij St. Agnes, een van de Scilly-eilanden'.

    • Atte Jongstra