Leefbaar Rotterdam kan wel wat de LPF niet kan

Waarom kan de Lijst Pim Fortuyn niet wat Leefbaar Rotterdam, die andere bewaker van het gedachtegoed van Pim Fortuyn, wel kan: samen aan de slag gaan?

Sinds 6 mei is bij vergaderingen van de Rotterdamse gemeenteraad één stoel onbezet. Het is de stoel in de uiterste hoek rechts vooraan, gezien vanuit het college van burgemeester en wethouders. Daar zat op 14 maart Pim Fortuyn, het etui met zijn leesbril op de raadspapieren, tijdens de eerste raadsvergadering waaraan hij als winnaar van de verkiezingen deelnam.

Meteen al bij die eerste raadsvergadering leek uit te komen wat iedereen verwachtte: de nieuwe, platte volkspartij, ongetwijfeld vol rancuneuze gelukzoekers, zou wel snel ruziënd uiteenvallen. Eén gemeenteraadslid was in elk geval al opgestapt uit de fractie, om als zelfstandige eenmansfractie verder te gaan. Ronald Sørensen, nummer twee op de lijst, diende tegen hem een motie van wantrouwen in. De oude partijen, verbijsterd, legden de nieuwkomers uit dat moties altijd aan het college zijn gericht, nooit tegen collega-raadsleden.

Tegenwoordig lijkt Leefbaar Rotterdam vergeleken met de verwante Lijst Pim Fortuyn in Den Haag een toonbeeld van gezamenlijkheid. Als om het verschil te onderstrepen, beklom Fortuyns opvolger Ronald Sørensen gisteren bij de vergadering over het collegeprogramma niet het spreekgestoelte voorin de zaal, maar voerde hij staande achter zijn bankje het woord. Hiermee, zei hij, wilde hij de eenheid van zijn fractie symboliseren.

Is deze saamhorigheid te danken aan de geest van de vermoorde leider, door de lege stoel zo tastbaar aanwezig in de zaal? De veronderstelling is minder vreemd dan zij lijkt. In tegenstelling tot de leden van de LPF hebben die van Leefbaar Rotterdam daadwerkelijk leiding gehad van Fortuyn. Hij zat de eerste fractievergaderingen voor, waar hij een ontspannen, goedlachse sfeer inbracht. Die vergaderingen mochten van hem ook nooit te lang duren.

Fortuyn werkte ook mee aan de totstandkoming van het collegeakkoord, maar deed dat op eigen initiatief in de marge, omdat zijn persoon makkelijk weerstand opriep. Ronald Sørensen, die de partij een half jaar eerder had opgericht, verkreeg in deze tijd een zeker natuurlijk leiderschap.

In die maanden maart en april werd ook gewerkt aan collegialiteit binnen de fractie en met de andere fracties van de coalitie: werkgroepjes waar zo ongeveer iedereen in zat brainstormden over het collegeakkoord. Verder koos Pim Fortuyn zelf zijn wethouders. Twee daarvan, Marco Pastors en Wim van Sluis, waren oude bekenden van hem. De fractie reageerde enthousiast.

Maar het belangrijkste verschil is misschien wel dat Pim Fortuyn voorzag dat de diversiteit binnen een fractie die in één klap zestien leden telt, onvermijdelijk tot problemen leidt. Hij stelde voor een mental coach in de arm te nemen, die na afloop van elke wekelijkse fractievergadering de gevoelens van de fractie met hen zou bespreken: wie voerde te vaak het woord, wie luisterde nooit naar anderen, wie zei juist te weinig.

Het kostte wat, maar het hielp ongeregeldheden voorkomen. De mental coach zit er nu niet meer bij, maar elke fractievergadering wordt nog steeds afgesloten met een evaluatie. Dat hebben ze in de fractie zo geleerd.

Na de moord op Pim Fortuyn volgde het gedeelde verdriet. Ook dat heeft de LPF-fractie niet meegemaakt. De problemen met het bestuur die deze fractie heeft, kent haar lokale evenknie ook al niet. Het bestuur van Leefbaar Rotterdam werkt op de achtergrond juist aan een door de fractie gewenste verandering van de statuten, die het andere partijen onmogelijk moet maken Leefbaar Rotterdam `over te nemen'. De partij is trots op het lokale, eigen karakter en wil dat behouden.

Nu is het voor een gemeenteraadsfractie die maar één à twee keer in de week samenkomt natuurlijk makkelijker om ongeleide agressie te beperken. Het wil ook niet zeggen dat die agressie er niet is. Maar Leefbaar Rotterdam lijkt deze vooral via de inhoud te kanaliseren: de fractie bestookt het college wekelijks met opruiende vragen over diverse kwesties als het nut van de `dag van de dialoog', van bedelen, van vertalingen van gemeentelijke folders in het Turks en Arabisch enzovoort, enzovoort.