In Triëst is alles dubbel

Triëst lijkt op een gepensioneerde specialist die in huis rondscharrelt, af en toe televisie kijkt en aan een hobby prutst, maar die zijn levensdoel kwijt is, schrijft Jan Morris in Triëst. De melancholie van een plek. Ooit was de stad de bloeiende zeehaven van het Habsburgse rijk, een kosmopolitische magneet voor een `mengelmoes van speculanten', schreef Karl Marx. De haven verloor zijn functie toen de stad na de Eerste Wereldoorlog bij Italië werd gevoegd. Daarna was Triëst een gewone Italiaanse provinciestad, het oude elan werd nooit hervonden. `Niet meer, nooit weer', is het refrein van Triëst, uit Senilità van Italo Svevo, de grootste schrijver van de stad.

Nostalgie naar de multinationale Habsburgse beschaving is inmiddels onderdeel geworden van de toeristenindustrie: bij het station van Triëst staat een standbeeld van keizerin Sissi, ook al zal de stad nooit een trekpleister worden voor massatoerisme. Morris (1926) keert zich tegen `de valse hartstocht van de nationale staat', die haar `gedroomde Europa' heeft veranderd in een hersenschim. De schrijfster put moed uit de graffiti die ze bij haar laatste bezoek las op een vuilnisbak in de oude stad: Fuk nations.

Triëst is volgens Morris een dubbelzinnige stad, een onweerstaanbare bestemming voor wie genoeg heeft van `het zichtbare leven, waarin alles voor de hand ligt en waarin wijzelf vanzelfsprekend zijn'. James Joyce was in Triëst leraar Engels, Richard Burton vertaalde er 1001 nacht, Freud deed er onderzoek naar de geslachtskenmerken van palingen. De bourgeosie van Triëst stond open voor de inzichten van de psychoanalyse, schrijft Morris, omdat het een stad is van neuroses en hypochondrie, aangewakkerd door de gemene noorderwind, de bora. Het is geen stad die het moet hebben van grootse architectuur of parken; de enige toeristische trekpleister is het 19de-eeuwse nepkasteel Miramare, dat de aartshertog Maximiliaan liet bouwen, voordat hij door revolutionairen werd geëxecuteerd in Mexico, waar hij keizer had moeten worden. Kort voor zijn dood had Maximiliaan vanuit Mexico verzocht om hem tweeduizend nachtegalen van Miramare te zenden.

Morris kwam voor het eerst in Triëst aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, als 19-jarige Britse soldaat. Jan heette toen nog James, in 1972 onderging Morris een geslachtsoperatie. Ze moet zich als `balling in de normaliteit' meteen thuis hebben gevoeld in een stad waar de hybride mens de norm is. Daar is nog een andere vorm van ballingschap bijgekomen: ouderdom, `ballingschap in de eigen tijd'. Na meer dan veertig boeken heeft Morris aangekondigd dat Triëst haar laatste zal zijn. Het is niet alleen een fijnzinnig portret van de stad, maar evenzeer een mooi, ingetogen zelfportret geworden. Na haar dood zal Morris niet alleen over haar geboortegrond in Wales rondwaren, schrijft ze, maar ook in Miramare, om te turen naar de nachtegalen.

Jan Morris: Triëst. De melancholie van een plek. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Atlas, 224 blz. €16,50

    • Peter de Bruijn