Het waren niet de zenuwen, moeder

Als kind had Marcel Proust er moeite mee in slaap te vallen. Het melancholische tafereel van de nachtkus door zijn moeder werd bij hem zo niet de sleutel tot zijn schrijverschap, dan toch wel een van de kapitale passages uit zijn literaire werk. Om de nachtkusscène, die zowel in de eerdere roman Jean Santeuil als in zijn klassieke Op zoek naar de verloren tijd terugkomt, kunnen ook zijn biografen niet heen. Daarover zijn alle Proust-biografen, wier werk inmiddels zeker enkele meters boekenplank beslaat, het wel eens.

George D. Painter beschrijft in zijn lange tijd gezaghebbende biografie Marcel Proust (1959) hoe de moeder van de 7-jarige Marcel op een avond een diner geeft in de tuin en niet naar boven gaat om haar zoon, die al in bed lag, de gebruikelijke nachtkus te geven. De jongen krijgt angstvisioenen, kan niet slapen en vraagt een bediende zijn moeder te halen. Als ze niet wil komen, opent hij het raam en roept `dat hij haar even nodig heeft'. Om een scène te voorkomen gaat mevrouw Proust naar haar zoon, maar in plaats dat die kalmeert krijgt hij een hysterische huilbui. Tegen de bediende zegt zijn moeder dat het aan Marcels `zenuwen' ligt. Painter concludeert psychologiserend, in twee regels, dat Marcel `een woeste vreugde' voelde bij de constatering dat `wat hijzelf als een opzettelijke gemene daad beschouwde, werd toegeschreven aan iets waarover hij geen macht had'.

Ghislain de Diesbach besteedt, in zijn lijvige en weinig succesvolle Proust (1991) wat meer alinea's aan diezelfde gebeurtenis. Hij beschouwt de scène als symbolisch voor de exclusieve, heftige kinderliefde die de jonge Proust voor zijn moeder koesterde. Diesbach psychologiseert verder: Marcel zegevierde over de wil van zijn moeder, maar bezegelde daarmee ook de nederlaag van zijn eigen wil, doordat hij zijn hartstochten niet meer hoefde te beteugelen. Zijn triomf werd getemperd door een gevoel van wroeging, die in het vervolg elk plezier in dit soort overwinningen zou vergallen. Vandaar het Proustiaanse thema van de zichzelf frustrerende liefde.

Diesbachs biografie was een van de Franse pogingen om de Brit Painter van de troon te stoten als Proust-biograaf. Maar die eer kwam tenslotte toe aan Jean-Yves Tadié, die in 1996 met een biografie kwam die tot op heden geldt als het state of the art werk over de schrijver. Tadié heeft alle Proust-theorie verwerkt en de vele clichés over hem als decadente auteur achter zich gelaten. Proust was toen helaas voor velen al zo'n uitgeput onderwerp, dat Tadiés boek bijvoorbeeld in deze krant niet werd besproken. Maar nu is er een vuistdikke Engelse paperback van zijn biografie (de hardback ligt alweer in de ramsj), en krijgen Proust-liefhebbers die hun secundaire literatuur het liefst in het Engels lezen een herkansing. Bijna tegelijkertijd kwam de Bezige Bij met de integrale heruitgave van Op zoek naar de verloren tijd, waarmee de uitgeverij de tachtigste sterfdatum van Proust luister wilde bijzetten.

In zijn biografie wijdt Tadié maar liefst drie pagina's aan de nachtkus, maar pas nadat hij eerst heeft vastgesteld dat geen enkel document, noch brief ook maar rept van zo'n scène in het leven van de schrijver. Vervolgens gaat Tadié te rade bij Jean Santeuil, de vroege roman van Proust `die toch erg vaak autobiografisch is'. Hij wil de fictie niet gebruiken om gaten in zijn biografische documenten te dichten, schrijft Tadié, en ook de beroemde scène niet navertellen, maar hij meent wel dat er, gezien de vele herhalingen van het thema, sprake is van een `mentale structuur'. Het voorval, luidt zijn hypothese, was niet eenmalig, maar zal zich vaker hebben voorgedaan, en culmineerde, gedramatiseerd, in één cruciale scène.

Heel precies citeert Tadié de tekst uit Jean Santeuil, waarbij de woorden van de moeder (`het zijn zijn zenuwen') doorslaggevend blijken te zijn. De angstvisioenen hebben volgens Tadié niets te maken met een zegevierende wil, maar met een `put van triestheid' waaruit de jongen maar niet kon ontsnappen. Die angst wordt door de verteller toegeschreven aan `een staat van onvrijwillige nervositeit'. Met andere woorden, zegt Tadié, `aan een ziekte, aan het onderbewuste'. Het kind werd altijd al gekweld door verlatingsangst, die zich eerst uitte in `zenuwziekte' en later in aanvallen van astma. De sleutelscène van de roman is daarom exemplarisch voor wat zich in het dagelijks leven van de jongen regelmatig voordeed.

Dan levert Tadié ook het bewijs. Hij citeert een brief van Proust aan Barrès, uit januari 1906 (na de dood van zijn moeder), waarin Proust over zijn leven spreekt als over een voortdurende oefening in het zich voorbereiden op haar dood. Zoals `wanneer ze weigerde om tien keer terug te komen om afscheid te nemen, voordat ze 's avonds uitging', of `wanneer ze in de trein stapte en me alleen op het platteland achterliet' of later, `toen ik haar ieder uur belde' als ze in Saint-Cloud was. Om zijn stelling nog aannemelijker te maken citeert Tadié ook de relevante passages uit de Correspondances van Proust.

Het tekent de ongeëvenaarde degelijkheid die Jean-Yves Tadié aan de dag legt. Dat er nog een biograaf beter beslagen ten ijs komt, lijkt onwaarschijnlijk. Sinds 1959 publiceerde Tadié, hoogleraar aan de Sorbonne, vier boeken over literatuur en kritiek, een boek over Prousts schrijverschap (Proust et le roman), een over zijn critici (Lectures de Proust), een studie over alle varianten en voorbereidende schetsen van Op zoek naar de verloren tijd, en bezorgde hij de vier dikke delen tellende, dunbladige Pléiade-reeks. Niemand is beter thuis in de ontstaansgeschiedenis van Prousts manuscripten en in zijn correspondentie. Vandaar ook het uitgangspunt dat hij voor zijn biografie hanteerde: `De ware biografie van een schrijver is die van zijn oeuvre'. Wat Proust zei over de kunstcriticus John Ruskin, zegt Tadié over Proust: `De gebeurtenissen uit zijn leven zijn van intellectuele aard en de belangrijke data zijn die waarin hij doordringt in een nieuwe kunstvorm.'

Alles wat Tadié in zijn biografie over Proust te berde brengt, bewijst hij en illustreert hij in talloze voetnoten (`wie ze niet wil lezen, slaat ze maar over'). In zijn voorwoord trekt hij fel van leer tegen Painter en Diesbach: zij zouden alleen het mondaine leven, de salons, hebben beschreven en zwelgen in anekdotes uit die tijd, die `al zo vaak zijn verteld dat je er nauwelijks meer om kunt glimlachen'. Inderdaad lezen hun biografieën eerder als een smeuïg tijdsbeeld dan als een literair-intellectuele biografie. Bovendien had Painter geen enkele vriend of kennis van Proust ondervraagd, terwijl dat toen nog kon. Onvergeeflijk, vindt Tadié. En tenslotte ging Painter er volgens Tadié nog simpelweg van uit dat Prousts werk, juist omdat het zo introspectief is, puur autobiografisch was. Maar juist bij Proust is het een kapitale blunder om het oeuvre op te vatten als een natuurgetrouwe afspiegeling van het leven: het is leven getransformeerd tot kunst.

De wetenschapper Tadié houdt zich aan de feiten en bewaart ook een veilige afstand tot de psychoanalyse, zonder thema's als homoseksualiteit of erotiek uit de weg te gaan. Hij reconstrueert Prousts intellectuele universum aan de hand van de boeken die hij las, de schilderijen die hij zag, de muziek die hij beluisterde en schetst een proustiaanse `ideeëngenealogie'. Helaas zijn de tot nu toe bekende brieven van Proust nauwelijks van intieme aard en zal het nog enkele decennia duren voordat bijvoorbeeld de brieven aan zijn vrienden Lucien Daudet en Reynaldo Hahn openbaar worden. Tot die tijd heeft Tadié de definitieve biografie afgeleverd van de man die zijn grootheid ontleende aan wat hij schreef, en daaraan al het andere opofferde.

Jean-Yves Tadié: Proust. A Life. Vertaald uit het Frans door Euan Cameron. Penguin, 1008 blz. €29,35

    • Margot Dijkgraaf