Het kan nooit meer iets worden met de LPF

CDA en VVD, de tweee coalitiepartners van de LPF, kunnen niet blijven beweren dat het permanente geruzie in de LPF hen niet aangaat. De LPF-crisis is wel degelijk ook hun crisis, vindt Mark Kranenburg.

De eenheid is dus helemaal terug in de LPF. Weg ruzies, weg onderlinge verwijten. De LPF is er vanaf nu weer volledig voor de ruim 1,6 miljoen kiezers die op 15 mei hun stem uitbrachten op de partij. Dat althans is het beeld dat `gecommuniceerd' moet worden. En daarom stonden ze gisteravond dan ook alle vier breed lachend in de hal van het ministerie van Volksgezondheid: LPF-fractievoorzitter Wijnschenk, vice-premier Bomhoff, beoogd politiek leider en minister van Economische Zaken Heinsbroek, en advocaat Hammerstein namens het partijbestuur. Zelfs het obligate handen schudden voor de fotografen en tv-camera's om te laten zien hoe goed men het toch met elkaar voor had, bleef niet achterwege.

De wapenstilstand is behalve prettig voor de LPF ook reuze prettig voor minister-president Balkenende. Hij kan de door de Tweede Kamer gevraagde brief over de gevolgen voor het kabinet van de interne perikelen binnen de tweede partij van het land beperkt houden. Er is immers niets meer aan de hand. Alle ministers en staatssecretarissen zijn weer volledig inzetbaar voor het land.

Natuurlijk kan ook de jongste crisis in de LPF wederom worden afgedaan als onvermijdelijk gevolg van de snelheid waarmee een zeer jonge partij tot zeer grote, want regeringsverantwoordelijkheid is geroepen. Maar hoe lang mag onervarenheid dienen als alibi voor platvloers gedrag en onkunde? Steeds duidelijker wordt het dat het bij de LPF niet gaat om aanloopproblemen, maar dat het ook nooit meer iets kan worden. Een partij met als drijfveer en uitgangspunt één persoon en zijn gedachtegoed, loopt het risico op te houden te bestaan als die unieke persoon er niet meer is. De gang van de zaken binnen de LPF tot nu toe heeft dit alleen maar bevestigd. Als het woord puinhopen ergens op van toepassing is, is het wel op de LPF.

De twijfels die Pim Fortuyn zelf al had over enkelen van zijn discipelen, zijn meer dan bewaarheid geworden. Als gevolg van de haast waarmee hij dit voorjaar zijn kandidatenlijst voor de Tweede Kamer moest samenstellen, was er nauwelijks sprake van enige kritische toetsing van de geïnteresseerden, die zich soms letterlijk aan de voordeur van zijn Palazzo di Pietro meldden. Bovendien hoeft het niet te verbazen dat als gekozen wordt voor grote sponsors als voornaamste financieringsbron, de sponsors op een gegeven moment ook eisen gaan stellen. Interim-partijvoorzitter en vastgoed ondernemer Ed Maas zit niet op die post wegens zijn capaciteiten, maar wegens de hoeveelheid geld die hij in het `politieke bouwproject' heeft zitten. Wie betaalt, bepaalt. Ook dat is nieuwe politiek. De LPF wordt overheerst door de `ik-dacht-dat-ik-nu-even-aan-de-beurt-was-types'. Een dergelijke mentaliteit laat zich moeilijk verenigen in partijverband. De ver doorgevoerde vorm van individualisme – iedereen kan zeggen wat hij denkt – breekt de partij dan ook telkens op.

Echt bijzonder in het licht van de recente historie is de zelfdestructie van de LPF niet. Het politieke kerkhof ligt vol met op onderlinge fricties vastgelopen partijexperimenten. Boerenpartij, Middenstandspartij, Centrumpartij, Ouderenpartij, allen gingen ze ten onder aan ruzies en competentiestrijd. Zo bezien past de LPF naadloos in het rijtje.

Maar er is één belangrijk verschil. De LPF kwam direct met 26 zetels in de Tweede Kamer en drong vervolgens onmiddellijk tot de regering door. Dat maakt de crisis binnen de LPF tot meer dan een probleem voor louter de partij zelf.

Het is opvallend hoe moeizaam deze wetenschap tot de coalitiepartners CDA en VVD doordringt. Daar worden de troebelen in de LPF vooral mathematisch benaderd. Zolang de coalitie van CDA, VVD en LPF kan rekenen op 76 van de 150 Kamerzetels, is er niets aan de hand. Volgens die zienswijze kan de LPF Tweede-Kamerfractie zich nog heel wat onderlinge strijd en slachtoffers veroorloven. Uiteindelijk zijn niet meer dan negen LPF-Kamerleden nodig om het kabinet van een meerderheid te voorzien. Daar komt bij dat de afvalligen het kabinet altijd uit lijfsbehoud zullen blijven gedogen. Een kabinetscrisis betekent immers nieuwe verkiezingen. Die zullen er hoe dan ook toe leiden dat in elk geval zij niet meer zullen worden herkozen. Maar ook los daarvan zal de coalitie wel altijd kunnen blijven rekenen op de steun van een zodanig grote harde kern LPF'ers dat de meerderheid in de Tweede Kamer niet in gevaar komt.

Vandaar wellicht de tamelijk laconieke houding van minister-president Balkenende. Een man met enige praktijkervaring als het gaat om partijtwisten, want hij was het zelf die een jaar geleden uit het slagveld dat het CDA toen nog heette, als minst-beschadigde plotseling boven kwam drijven. Het was toch een geruststellende gedachte die gisteren in de loop van de ochtend door het Algemeen Nederlands Persbureau werd verspreid: ,,Premier Balkenende maakt zich volgens ingewijden nog geen grote zorgen over het voortbestaan van de coalitie. Wel laat hij zich geregeld informeren over de situatie in de LPF.'' Later op de dag kwam daar in antwoord op vragen van journalisten nog een vermanend woord bij in de categorie `vader-is-niet-boos-maar-verdrietig'. De LPF deed er verstandig aan op te houden met het gedoe, sprak Balkenende.

Gedoe? Dit mag toch wel het understatement van de week worden genoemd. Binnen de LPF is het nog geen moment rustig geweest. Dubieuze financiers, incompetente Kamerleden, ruziënde bestuursleden, onvoorspelbare bewindslieden; zichzelf allemaal beroepend op een moeilijk te definiëren emotie van 1,6 miljoen kiezers en niet te vergeten, het gedachtengoed van Pim, dat met de dag ruimer wordt uitgelegd. (,,De regering regeert, de volksvertegenwoordiger controleert'', scheef Fortuyn in zijn boek De Puinhopen van Paars. In de vorige week uitgelekte evaluatie over het optreden van de LPF-Tweede-Kamerfractie tijdens de algemene politieke beschouwingen staat te lezen dat de eigen bewindslieden de mogelijkheid krijgen ,,relatief vroeg de input te leveren'' voor de bijdrage van fractievoorzitter Wijnschenk. Over dualisme gesproken.)

Het moet CDA en VVD inmiddels toch ook wel duidelijk zijn dat de LPF niet zozeer een probleem heeft, maar een probleem vormt. En dan kunnen CDA en VVD zich niet beperken tot het bewaken van de meerderheid in het parlement. Het moment is aangebroken dat beide partijen bij zichzelf te rade moeten gaan of zij nog wel willen samenwerken met een twijfelachtig geheel als de LPF. In het verleden zijn vaak genoeg potentiële regeringspartijen door andere van coalitiedeelname uitgesloten als gevolg van hun instabiliteit. Het was weliswaar vaak een gezocht argument om niet te hoeven samenwerken, maar het bleef een geaccepteerd argument.

De Partij van de Arbeid overkwam dit begin jaren tachtig, de VVD eind jaren tachtig, en het CDA halverwege de jaren negentig. Maar alle problemen van toen binnen die partijen vallen in het niet bij de toestanden binnen de LPF. Kortom, wanneer wordt de LPF als instabiele factor aangemerkt?

De lijfspreuk van minister-president Balkenende luidt `Fatsoen moet je doen'. Dat vereist op zijn minst regeren met fatsoenlijke regeringspartners. De LPF kan niet langer een fatsoenlijke partij genoemd worden. Deze conclusie betekent dat het voortbestaan van het kabinet op het spel staat. Maar fatsoen mag een hoge prijs hebben.

Mark Kranenburg is redacteur van NRC Handelsblad.