Het echte leven begint bij nul

Eerlijk gezegd had ik Paul Auster al opgegeven. Sinds hij midden jaren negentig met zijn scenario voor de filmhuishit Smoke en zijn regie van de komedie Blue in the Face toetrad tot de internationale film-jetset, kwam er nauwelijks literatuur meer uit zijn handen. Hij publiceerde een bundel met oud werk (Hand to Mouth), een boek met andermans verhalen (True Tales of American Life) en een rommelig romannetje over een denkende hond (Timbuktu). Er leek weinig over van de joods-Amerikaanse meester die als geen ander `de muziek van het toeval' kon laten doorklinken in kafkaeske thrillers over even wonderlijke als ontwortelde personages.

Austers tiende roman komt dan ook als een verrassing. Terug is de schrijver die grossiert in persoonsverwisselingen en in elkaar grijpende toevalligheden; terug is de componist van fantasierijke verhalen-in-een-verhaal; en terug is de mythograaf die onbekommerd leentjebuur speelt bij de grote auteurs uit het verleden om vaak typisch Amerikaanse thema's nieuw leven in te blazen. Dat The Book of Illusions af en toe een beetje rammelt, en niet de gestroomlijnde perfectie tentoonspreidt van meesterwerken als The New York Trilogy (1984-'86) en The Music of Chance (1990), zij Auster vergeven. Zelfs een Rolls-Royce kan even sputteren als hij na tien jaar uit de garage wordt gereden.

The Book of Illusions introduceert een echte Auster-verteller: David Zimmer, een literatuurdocent die na de dood van zijn vrouw en twee kinderen in een vliegtuigongeluk bijna zijn greep op het leven verliest. Wat hem redt uit een roes van alcohol en depressie is een film van de jaren-twintigkomiek Hector Mann, die na een bliksemcarrière in de zwijgende cinema van de aardbodem verdween. Gefascineerd door `the last of the two-reel comedians' besluit Zimmer een boek aan Manns oeuvre te wijden; het is nog niet af of hij krijgt een brief van een vrouw die beweert dat zij de echtgenoot is van de in 1929 ondergedoken filmmaker en die hem vraagt of hij hen wil bezoeken op hun ranch in New Mexico.

Zimmer denkt aan een grap; de lezer weet dat het menens is. Binnen een paar bladzijden ben je zó door Auster meegesleept dat het als een teleurstelling komt dat de schrijver twee lange hoofdstukken besteedt aan het leven van Hector Mann voordat hij de rest van de geschiedenis vertelt. Maar daarna rolt het verhaal door: Zimmer wordt overgehaald om naar Terra del Sueño te gaan door een mysterieuze en verleidelijke vrouw, Alma, die hem vertelt over het lijk in de kast van Mann en ook over diens levensinvulling na 1929: films maken in het diepste geheim, meesterwerken die niemand ooit te zien zal krijgen – bij wijze van van boetedoening voor de `unpardonable sin' die hij in het verre verleden begaan heeft.

Wat Zimmer geacht wordt te doen in New Mexico, en hoe hij er uiteindelijk vandaan komt, zal ik hier niet vertellen. Maar wel dat Auster de suspense afwisselt met vaak verrassende uitweidingen. Het schelmenverhaal van Manns leven in de maanden na zijn misdaad biedt daar genoeg mogelijkheden toe; en de hoofdstukken over zijn verblijf in de boezem van de familie van zijn slachtoffer, of over zijn werkervaring als helft van een duo dat rijke voyeurs aan hun gerief helpt, lezen als korte verhalen. Net zo fascinerend is de weergave van de enige gesproken Hector Mann-film die Zimmer op de ranch in Terra del Sueño te zien krijgt: een moderne romantische tragikomedie over een schrijver die zijn geliefde uit de dood terughaalt door het manuscript van zijn nieuwe boek te verbranden. Auster toont zich een eersteklas scenarist, met als gevolg dat je vergeet dat je naar een fictieve, navertelde film zit te kijken. Het dringt tot je door waarom het zo verschrikkelijk is dat Mann in zijn testament heeft laten opnemen dat al zijn films binnen 24 uur na zijn dood moeten worden vernietigd.

Je zou The Book of Illusions een roman over leven na de dood kunnen noemen. Het niet-zo-verborgen motto van het boek is `Mensen komen pas volledig tot leven als ze met hun rug tegen de muur staan' – zowel een kenschets van Zimmers bestaan als een parafrase van een citaat uit Mémoires d'outre-tombe van de Franse schrijver Chateaubriand, die als een leidmotief in Austers roman opduikt. Zoals Chateaubriand in zijn postuum verschenen autobiografie de lezers toesprak vanuit het graf, zo doet David Zimmer dat in het boek dat wij lezen (en dat, zo blijkt uit de laatste bladzijden, pas na zijn dood is verschenen). Hector Mann weigert juist om voort te leven; hij legt zichzelf de grootste straf op die een kunstenaar kan bedenken en dus de grootste zelfkwelling voor iemand die nog een appeltje met zichzelf te schillen heeft.

Overigens is Auster niet erg geïnteresseerd in de emotionele kanten van matters of life and death. Anders dan in bijvoorbeeld het scenario van Smoke geeft hij de lezer geen kans om mee te leven met zijn hoofdpersonen. Dat maakt The Book of Illusions eerst en vooral een knappe stijloefening, waarin de schrijver niet alleen speelt met thema's uit de autobiografie van Chateaubriand maar ook met de negentiende-eeuwse parabels van schuld en boete van zijn grote voorbeeld Nathaniel Hawthorne. Postmodern is Auster nog steeds; maar bij hem staat dat een goed verhaal niet in de weg.

Paul Auster: The Book of Illusions. Faber & Faber, 321 blz. €22,30 (gebonden).

De Nederlandse vertaling, Het boek der illusies, van Mea Flothuis is verschenen bij De Arbeiderspers,

278 blz. €17,95.

    • Pieter Steinz