Een scherfje van de zonneschijn

Het waren de eerste dagen van de herfst, windstil, langzaam vallend blad, langzaam zakkende zon, en ik bladerde door de lente, de Lyrische Lente van Willem Wilmink en W.P. Gerritsen: een dikke bloemlezing, verschenen in 2000, van gedichten uit de periode tussen 1100 en 1400, de tijd waarin het Europese lyrische gedicht werd uitgevonden en tot bloei kwam. Vijfenveertig liederen en gedichten zijn erin opgenomen, uit verschillende talen en landen, van Portugal tot Ierland en van Nederland tot Spanje, allemaal voorzien van uitgebreide toelichtingen (van Gerritsen) en vertalingen (van Wilmink, op basis van die toelichtingen) en in enkele gevallen ook van de bijbehorende melodieën. Leuke plaatjes erbij ook, uit een Spaans manuscript, van soms nogal vreemd uit hun ogen kijkende monnikmannen met curieuze hoofddeksels en haardrachten, met in hun handen de meest wonderlijke muziekinstrumenten: winkelhaken met doedelzakuiteinde (volgens het onderschrift een `portatief-orgel'), ukelelevormen met zaag (`rebec'), broodtrommels met draaislingers (zonder naam), de dubbelschalmei en tokkelinstrumenten in allerlei soorten en maten. Het moet een mooie tijd zijn geweest.

Het boek roept de wereld op van rondtrekkende zangers en dichters, en een sfeer van ontdekkingen, nieuwe horizonnen en volop nieuwe invloeden. Lente, en een onbevangen, kinderlijke geest. `Waar haalde jij je kleur vandaan?' las ik ergens. Het was de beginregel van een gedicht dat `De zeemeeuw' heette. Tot dit dier bleek de vraag ook gericht. `Waar haalde jij je kleur vandaan,/ zeemeeuw? Van sneeuw of van de maan?' Wonderlijke vraag, en een wonderlijke veronderstelling: alsof een meeuw zomaar even naar de maan kan vliegen om er wat kleur voor zichzelf af te nemen. Het wit van de meeuw keert terug in de volgende regels. De meeuw heet daar `een scherfje van de zonneschijn': een mooi beeld voor de witte flits van de vogel die in de lucht op zijn vleugels wat zonlicht vangt, of voor de witte flard van zijn flanken even oplichtend te midden van grijze of groene of grijsgroene golven. Hij, of zij, is `als papier zo wit' en hij of zij heet hier ook wel `de blanke lelie van de zee'. Bij het beeld van de waterlelie sluit ook weer mooi het beeld aan van de meeuw als een voor anker liggend scheepje, met de golven mee en weer terug drijvend. Nog mooier, en bijzonderder, bijna uit de surrealistische school, is de vergelijking van de meeuw met `een non die op de golven zit'. Verrassend, en grappig, voor wie het zich letterlijk voorstelt: dom dobberende non in zee. De vergelijking moet wel ingegeven zijn door de witte kleding, of alleen de witte hoofdkap.

Deze beeldenreeks bleek het begin te zijn van `Yr wylan', Welsh voor `De zeemeeuw'. Het gedicht was van Dafydd ap Gwilym, en dat was weer Welsh voor: David zoon van Guillaume (of William, of Willem). Wij zouden nu zeggen: David Willemsen. Een gewone naam, voor een ongewoon talent, al in zijn eigen tijd herkend en erkend als een groot dichter. Dafydd ap Gwilym leefde van ongeveer 1320 tot ongeveer 1380, in de buurt van het huidige Aberystwyth, aan de westkust van Wales, dus hij zal in zijn leven heel wat zeemeeuwen hebben gezien. Volgens de handboeken was hij de eerste moderne Welshe dichter, en ook meteen de beste – en zo ziet men hem in Wales nog steeds. We geloven het graag – en er zit ook niks anders op, want het Welsh is een voor buitenstaanders volkomen vreemde en ondoordringbare taal. Koeterwaals uit een hakselmachine. Dit schijnen de regels te zijn waarin de zeemeeuw met wit glanzend papier en met een non op de golven vergeleken wordt: `Llythr unwaith llathr ei annwyd,/ Lleian ym mrig llanw môr wyd.' Heel af en toe komt er in het Welsh tussen alle onuitsprekelijkheden een herkenbaar woord voorbij. `Lili' zou wel eens Welsh voor `lelie' kunnen zijn, in `chastell' gaat misschien een kasteel schuil, en koper in `gopr', maar verder kan er alleen op vertalingen vertrouwd worden. En dan nog. Om een of andere reden moest die poëzie van oudsher al aan de meest ingewikkelde rijm- en ritmeregels voldoen: lettergreepvoorschriften, springrijmregels, allitteratiepatronen, binnenrijmafspraken en versregelverdelingen. Een hedendaags vertaler zou ze alleen met allerlei kunstgrepen kunnen weergeven.

Het grootste wonder van Dafydd ap Gwilyms poëzie schijnt te zijn dat hij ondanks al deze rederijkersobstakels toch nog fris, vrolijk en vrij weet te klinken. Een vertaler zal, voor het behoud van die toon, af en toe een beeld moeten laten schieten. Zo leert vergelijking met andere vertalingen dat Wilmink het beeld van de meeuw als `handschoen van de zoute zee' heeft weggelaten, net als de vergelijking van de vogel met een `licht op de duinen'. Maar de witte non is behouden, en die vormt een aardige opmaat voor het vervolg. Daarin gaat het om een andere vrouw: een geliefde. En daarin wordt de witte meeuw niet meer bezongen, maar door de dichter van een opdracht voorzien: hij moet op zoek gaan naar diens meisje. De meeuw moet cirkelen rond torens en kastelen en als hij het mooie meisje ziet, moet hij haar een boodschap overbrengen: `Breng haar mijn woordenwaterval/ en maak dat ze mij kiezen zal.' De zeemeeuw is minnekoerier geworden – en ook dat is een verrassende keuze van Dafydd ap Gwilym. In het genre van de llatai (het liefdesboodschappergedicht) mogen meestal adelaars, haviken, leeuweriken, nachtegalen of duiven het werk doen.

De meeuw als postillon d'amour: dat geeft ook een licht wrange ondertoon aan dit lied. Wanneer Dafydd steeds meer de schoonheid van zijn onvindbare geliefde bezingt, gaat zijn lied hunkerender klinken, maar meteen ook hulpelozer en onmachtiger. Want als het mooie meisje (`van bijna goddelijke natuur,/ met een meer dan volmaakt figuur') al gevonden wordt, dan is een ondichterlijke vogel als de zeemeeuw niet bepaald de aangewezen overbrenger van Dafydds kunstige liefdesbetuigingen. En zo verliest dit gedicht gaandeweg veel van zijn beeldende charme en eindigt het treurig, als het verloren lied van een eenzame, uitgeroepen op een leeg strand, tegen de witgekuifde golven, begeleid door het gekrijs van meeuwen – die hem vast ook niet verstaan hebben. `Oni chaf fwynaf annerch,/ fy nihenydd fydd y ferch.' Dat is wat Dafydd aan het slot van zijn gedicht wanhopig uitroept. Het is een mooie gedachte dat zijn woorden honderden jaren later en honderden kilometers verderop een plek hebben gevonden in een ander gek taaltje, dat Dafydd op zijn beurt niet begrepen zou hebben: het even dichterlijk zuivere en ontroerend eenvoudige Nederlands van zijn eenentwintigste-eeuwse geestverwant Willem Wilmink. `Als zij haar liefde niet verklaart,/ dan is mijn leven niets meer waard.'

`Lyrische Lente' is te koop bij ramsjboekhandel Steven Sterk, Utrecht; 355 blz, €6,90