De duivel speelt ook mee

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Het dandyisme en George Brummell' en `Het meisje en de kapucijn' van Jules Barbey d'Aurévilly (vertaling van eerstgenoemd boek door Mechtild Claessens, Voetnoot. 110 blz. euro 17,50. Het tweede met vertaling, noten en nawoord door Jan Pieter van der Sterre, Voetnoot. 125 blz. euro17,50)

Erg bekend in Nederland is Jules Barbey d'Aurévilly (1808-1889) niet. Misschien herinnert men zich zijn naam uit Mario Praz' The romantic agony, waarin de schrijver van Un prêtre marié (1865) en Les diaboliques (1874) wordt opgevoerd als een van de `heilige vaders' van de decadente beweging, die de Franse literatuur van het fin de siècle zo aantrekkelijk heeft gemaakt. In de `bijbel' van die beweging, Huysmans' roman À rebours (1884), blijkt Barbey dan ook tot de favoriete auteurs te behoren van de decadente hoofdpersoon Des Esseintes.

Vreemd genoeg komt Barbey's beroemde essay `Du dandysme et de George Brummell' (1845) in À rebours niet ter sprake, terwijl er toch veel voor te zeggen is om Des Esseintes als een dandy te beschouwen. Ook hij probeert van zijn leven een volmaakt kunstwerk te maken, zij het zonder de buitenwereld daarbij te betrekken. Dat is een verschil met de Engelse dandy George `Beau' Brummell, over wie Barbey schrijft. Als levend kunstwerk wist deze Brummell tussen 1800 en 1814 de Britse high society, de latere koning George IV voorop, aan zijn voeten te krijgen. Hij was de `veroveraar' van de verbeeldingswereld van zijn tijdgenoten, schrijft Barbey vol bewondering.

Met zijn essay, nu in het Nederlands vertaald door Mechtild Claessens, heeft Barbey grote invloed gehad op de latere waardering voor de dandy, in het bijzonder bij Baudelaire. Als eerste ziet hij in de dandy méér dan een fat die enkel aandacht heeft voor zijn uiterlijk. Het dandyisme, aldus Barbey, is `een totale manier van zijn', en dat beperkt zich uiteraard niet tot de buitenkant. Dandy's worden door hem `boudoir-stoïcijnen' genoemd. Ze zijn er voortdurend op uit hun omgeving versteld te doen staan, maar blijven zelf altijd onaangedaan. Op deze onverstoorbaarheid, gevolg van een strenge innerlijke discipline, berust hun succes.

Maar niet uitsluitend. In zijn poging het geheim van de dandy te ontsluieren wijst Barbey ook op de Britse samenleving van Brummells tijd. Een aristocratische samenleving vol `corruptie' en `verveling', die zich door Brummells onbeschaamde provocaties graag liet prikkelen tot hij te ver ging en de machtige Prince of Wales van zich vervreemdde. Het einde van Brummell was jammerlijk: niet meer in staat zijn schulden te betalen, moest hij vluchten naar Frankrijk, waar hij in 1840 stierf, straatarm, in een krankzinnigengesticht.

De Normandiër Barbey, die de Engelse legende als oude man in Caen had zien rondlopen, is in dit einde nauwelijks geïnteresseerd. Hem gaat het om de Brummell die erin slaagde als levenskunstenaar de wereld naar zijn hand te zetten. Was dat niet wat alle romantische kunstenaars wilden? Bij Barbey wordt alleen ook duidelijk dat zij hun tijd niet mee hadden. In Engeland had het dandyisme plaats moeten maken voor de paardensport en voor de `onvergankelijke, onsterfelijke schijnheiligheid', een aankondiging van het Victoriaanse tijdperk. In Frankrijk was het volgens hem de cultus van de Vooruitgang en van de Gelijkheid die dwars lag.

Van de weeromstuit keerde Barbey, na een korte periode van scepticisme en republikeinse sympathieën, terug naar het katholicisme en royalisme van zijn jeugd. In navolging van de door hem zeer gewaardeerde Balzac werd hij, als criticus en journalist, een geharnast verdediger van Troon en Altaar. Een ietwat merkwaardig katholiek was hij intussen wel. `Ik geloof in God om het recht te hebben in de duivel te geloven', zou hij eens gezegd hebben. De uitspraak is wellicht apocrief, maar de aanwezigheid van duivelse en demonische motieven in zijn werk is te opvallend om over het hoofd te zien. Van roomse blijheid is daarentegen weinig te bespeuren. Niet voor niets placht Baudelaire hem in zijn correspondentie aan te duiden als `le vieux mauvais sujet' de oude losbol.

Dat het er nu ook weer niet al te dol aan toe ging, laat de korte roman Une histoire sans nom (1882) zien, door Jan Pieter van der Sterre nu vrij vertaald als Het meisje en de kapucijn. Het verhaal is eigenlijk heel simpel: een onschuldig adellijk meisje, dat last heeft van slaapwandelen, wordt zonder dat zij er erg in heeft bezwangerd door een boosaardige priester, waarna haar vrome, strenge moeder vergeefs haar best doet om te achterhalen wie de dader is geweest en haar het leven zo zuur maakt dat ze na de bevalling (uiteraard van een doodgeboren kindje) zelfmoord pleegt.

Een melodrama kortom, zoals de Romantiek er wel meer heeft opgeleverd. Maar Barbey slaagt erin het onderste uit de kan te halen, door te suggereren dat ook de duivel in het spel is en door met grote welsprekendheid de wurgende sfeer tussen moeder en dochter op te roepen. Typerend voor de `zwarte romantiek', die in de mode was toen de jonge Barbey zijn eerste pen op papier zette, zijn verder de macabere details die met merkbaar genoegen worden beschreven: de moeder die eigenhandig het lijkje van haar kleinkind in de tuin begraaft, de langzame zelfmoord van de dochter door middel van achttien spelden in de hartstreek, een dief die zijn klemgezette hand afzaagt, en de haatvolle blik op het lijk van de fatale kapucijn, van wie de ogen `door de wormen al werden aangevreten in hun kassen'.

Opvallend is dat nergens de christelijke naastenliefde doorbreekt als een bevrijdend licht. De gekrenkte moeder weigert de berouwvol gestorven schurk te vergeven en volhardt in haar wrok, terwijl de schrijver haar daarin bijvalt. Ook wordt de hardvochtige houding van de moeder tegenover haar dochter toegeschreven aan de invloed van haar jansenistische inborst. Als reclame voor christendom en katholicisme lijkt dit verhaal me niet erg geslaagd. Zelf meende Barbey dat men de moraal tegendraads moest lezen. Dat wil zeggen: wat zijn verhalen en romans beoogden te bewerkstelligen was precies het omgekeerde van wat erin beschreven stond.

Een klassiek excuus, maar bij Barbey zijn er misschien óók nog de sporen in zien van het ooit zo bewonderde dandyisme, dat volgens het essay uit 1845 de `ironie' als een van zijn belangrijkste middelen kende. Het werk van Barbey d'Aurévilly is er in elk geval leesbaar door gebleven. Alsof hij stiekem maar al te goed wist dat het hemelse pad literair alleen te genieten is zolang het door de hel loopt.

    • Arnold Heumakers