Bush wil Iraakse oliereserves veiligstellen

Bij alle discussies over massavernietigingswapens in Irak – al dan niet vergezeld van `regime change' – zou haast uit het oog worden verloren dat er nog andere belangen op het spel staan in de aanstaande oorlog. Olie is daar één van. Zonder in een gemakzuchtig anti-Amerikanisme of simplistische complottheorieën te vervallen, is het nodig de factor olie nader te beschouwen. Je kunt je immers afvragen of de Verenigde Staten zich net zo druk zouden maken om massavernietigingswapens als het land in kwestie in Afrika beneden de Sahara zou liggen en niet in de olierijke Golfregio. Volgens gegevens van het Amerikaanse ministerie van Defensie beschikken twaalf landen over nuclaire wapenprogramma's, dertien over biologische wapens, zestien over chemische wapens en nog veel meer landen hebben ballistische rakketen die nu of later ook een bedreiging voor de Verenigde Staten (of Israël) zouden kunnen betekenen. Maar slechts één van die landen zit bovenop een kolossale oliebel.

Anders dan in de Golfoorlog van elf jaar geleden, toen het erom ging de status quo te herstellen, is de inzet deze keer de regionale orde te `herstuctureren'. De onthoofding van het regime in Bagdad is daarbij een eerste stap. Als dat eenmaal gebeurd is, zal de Iraakse olie royaler kunnen stromen dan tot nog toe mogelijk was en dat is precies waar het de regering van president Bush (ook) om te doen is.

Alle oliegoeroes – inclusief de Amerikaanse regering zelf, zoals bleek uit het National Energy Policy-rapport van mei 2001 – zijn het erover eens dat de importbehoeften van de Verenigde Staten de komende decennia alleen nog maar zullen groeien. Voorzien olie-importen nu nog `slechts' voor ongeveer de helft in de Amerikaanse olieconsumptie, in 2020 zal dat opgelopen zijn tot ruim 60 procent, dat wil zeggen een groei van 50 procent van de hoeveelheid te importeren olie (van 24,4 miljoen vaten per dag tot 37,1 miljoen). De bulk daarvan zal afkomstig zijn uit een beperkt aantal landen in de Golf. Weliswaar zoekt men actief naar andere leveranciers (Rusland, landen aan de Kaspische Zee en in West-Afrika), de algemene verwachting is dat dit geen soelaas zal bieden voor de Amerikaanse honger naar olie.

De situatie is des te nijpender geworden na de aanslagen van 11 september vorig jaar en de daardoor verslechterde betrekkingen van de Verenigde Staten met een van zijn belangrijkste leveranciers, het koninkrijk Saoedi-Arabië (dat nummer twee staat op het lijstje van belangrijkste olieleveranciers, na Canada maar voor Venezuela en Mexico). Saoedi-Arabië is met 25 procent van de wereldolievoorraden natuurlijk de meest aantrekkelijke partner voor de toekomst, maar het al zeventig jaar durende verstandshuwelijk is sinds september vorig jaar aan slijtage onderhevig.

Als de oorlog tegen Irak dan toch gevoerd wordt, wat ligt dan meer voor de hand dan de Iraakse oliereserves veilig te stellen voor de Amerikaanse markt? Irak bezit de op één na grootste oliereserves ter wereld (112 miljard vaten, vergelijk Rusland 49 miljard en de Kaspische Zeestaten 16 miljard) en zou binnen een paar jaar zijn productie flink kunnen opschroeven.

Op dit moment produceert Irak 2,8 miljoen vaten per dag waarvan minder dan een miljoen geëxporteerd wordt. Uitgaande van het voor de Verenigde Staten optimistische scenario dat de oorlog niet al te lang zal duren en zonder al te veel schade aan olie-installaties zal verlopen, zou de Iraakse productie over niet al te lange tijd tot zo'n zes miljoen vaten per dag kunnen oplopen.

Mocht dit inderdaad zo verlopen, dan vangen de Verenigde Staten daarmee twee vliegen in één klap. Niet alleen zal een pro-Amerikaans Irak een belangrijke concurrent worden van Saoedi-Arabië binnen de OPEC (Organisatie van Olie-Exporterende Landen) en de slagkracht van die organistie dus doen verminderen. Maar dat zou ook betekenen dat men zich in Washington nog minder dan op dit moment iets zou hoeven aantrekken van eventuele Saoedische druk om mee te werken aan de oplossing van het Palestijns-Israëlisch vraagstuk. Er is nog een bijkomend voordeel voor Amerikaanse oliemaatschappijen, die tot nog toe buiten spel staan in de race om contracten in het nieuwe Irak.

De Iraakse dissidenten die door de Verenigde Staten zijn uitverkoren om het nieuwe regime in Bagdad te gaan leiden, hebben gedreigd alle contracten te verbreken van de oliemaatschappijen uit die landen die weigeren mee te doen aan de oorlog tegen Saddam Hussein. ,,We zullen te zijner tijd de contracten die met Saddam Hussein zijn gesloten stuk voor stuk nog eens moeten bekijken'', zo liet een woordvoerder van het Iraakse Nationale Congres (INC) manmoedig weten. Het gaat daarbij met name om Franse, Russische, Italiaanse en Chinese oliemaatschappijen.

Het mag niet verbazen dat het dan ook vooral Amerikaanse oliemaatschappijen zijn die zullen profiteren van een eventuele machtswisseling in Bagdad. Veel van die oliemaatschappijen hebben goede betrekkingen met hoge functionarissen uit de regering-Bush, niet in de laatste plaats met de president zelf en diens tweede man, Dick Cheney.

Paul Aarts doceert Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Paul Aarts