Apie

Na de korte verhalen over Rotterdam, de stad van haar jeugd, haalt Tonny van der Horst herinneringen op aan Amsterdam, waar zij in 1938 ging wonen. Vandaag: Apie Prins.

Van de vele vrienden en bekenden die in 1938, toen we net getrouwd in Amsterdam waren komen wonen, bij Vic van Vriesland en mij over de vloer kwamen, was Apie Prins de merkwaardigste, zonderlingste en boeiendste figuur. De naam, die ondanks zijn leeftijd – hij zal ongeveer vijfenvijftig jaar zijn geweest – uitstekend bij hem paste, had hij te danken aan zijn voorletters A.P.

Een van zijn opmerkelijke eigenschappen, dat hij openlijk van zijn misnoegen blijk gaf wanneer iemand hem niet beviel, maakte hem niet bepaald geliefd maar bezorgde hem wel een roemruchte reputatie, die respect afdwong. Hij was zwijgzaam en lachte weinig, en als hij al lachte, leek het meer een grijnzen of geluidloos grinniken. En in weerwil van zijn nooit aflatende geldgebrek droeg hij jasjes van een speciale Engelse stof, die naar dure zeep en sigaretten roken.

Zijn verweerde gezicht droeg de sporen van zijn jaren in de tropen en zijn zwerftochten over de wereld. Zo had hij tabak geplant op Cuba en Sumatra, naar goud gezocht in Canada, op sinaasappelplantages gewerkt in Californië en aan de aanleg van een spoorweg in Puerto Rico. Hij had borden gewassen in New York, onder de bevolking van Tahiti geleefd, was per vrachtschip naar China, Japan, Australië en tenslotte naar Nieuw Zeeland gereisd, waar hij bijna een schapenfarm was begonnen, en met de Transsiberische spoorlijn naar Rusland.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij in Frankrijk verzeild geraakt, waar hij als lid van een Nederlandse ambulancedienst Mata Hari ontmoette bij haar bezoek aan gewonde soldaten en met haar een kortstondige romance in Parijs beleefde. Later heeft hij het allemaal beschreven in zijn autobiografie Ik ga m'n eige baan, die in 1958 is uitgegeven door De Bezige Bij, met de afbeelding van een doorgesneden rode kool tegenover de titelpagina – volgens hem het zinnebeeld van de vele wegen die hij op zijn eigen manier bewandelen.

Toen de oorlog in 1918 voorbij was, trouwde hij in zijn geboorteplaats Heemstede met zijn jeugdliefde en verzocht vrienden en verwanten nadrukkelijk geen acht te slaan op deze strikt persoonlijke formaliteit. Ze kregen twee kinderen, wat Apie er niet van weerhield te scheiden en zijn rusteloze zwerversbestaan weer op te vatten. Pas toen er een tweede wereldoorlog dreigde, werd hij plotseling in Amsterdam gesignaleerd, soms in het gezelschap van een of ander opvallend mooi en jong meisje mee wie hij, zoals iedereen wist maar niet helemaal begreep, een zuiver platonische relatie onderhield.

Hij kwam twee-, driemaal per week bij ons eten en had zowel een dakkamer gevonden boven de kunsthandel van Kabargeboer op de hoek van het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal als een baantje op de redactie buitenland van De Telegraaf. Voorts hield hij zich onledig met het vertalen van boeken uit het Amerikaans en bracht de nachten door op De Kring, de kunstenaarssociëteit aan het Kleine Gartmanplantsoen, die van 's avonds laat tot 's morgens vroeg voor zijn leden geopend was en waar hij met een glas whisky onder handbereik tot het ochtendgloren aan de pokertafel zat.

Hieraan kwam een eind toen hij een hartaanval kreeg, wat hij voor niemand wilde weten, maar waardoor hij vooreerst niet meer mocht werken, roken en drinken en een geregeld leven moest gaan leiden. Aangezien daar weinig van terechtkwam op de vierhoog gelegen dakkamer met een stoel, een tafel en twee bijna levensgrote krokodillen van gevlochten deegslierten tegen de muur, stelde Vic hem voor enige tijd bij ons op verhaal te komen, waarin hij gemelijk toestemde.

Gedurende de maand dat hij bij ons bleef (langer hield hij het niet uit) heb ik Apie goed leren kennen – niet doordat ik hem veel zag, maar juist doordat hij zich zelden vertoonde, zodat ik mij geroepen voelde me dagelijks met een blad levensmiddelen naar boven te begeven, hetgeen hij zonder van zijn vertaalwerk op te kijken met een onverstaanbaar gemompel accepteerde. Toch verwaardigde hij zich soms op aandringen van Vic naar beneden te komen om de maaltijd met ons te gebruiken, en nooit zouden wij die keer vergeten dat we, de kamer binnenkomend waar Apie even alleen was geweest, het voor de lunch bestemde rookvlees tegen het raam gekleefd aantroffen en hij ons wees op het schitterende effect van het licht dat roze en goud door de flinterdunne plakjes scheen.

Hij vertrok zoals hij was gekomen, met zijn schrijfmachine en de stapel boeken. En wanneer wij hem zagen was dat alleen op De Kring, waar hij, meestal weer met iets prils en moois aan zijn zijde, aan de pokertafel zat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde hij in het verzet, werd opgepakt en als door een godswonder weer vrijgelaten, waarna hij meteen onderdook.

Zodra de oorlog voorbij was, verhuisde hij naar de zolder van een bevriende schilder aan de Prinsengracht, waar de hartaanval zich herhaalde en hij zich ziek en zonder iemand te willen zien terugtrok. Tenslotte liet hij zich daar, onder hevig protest, weghalen door zijn ex-vrouw, die hem naar haar huis overbracht om hem daar te laten sterven.

In mijn exemplaar van het boek met het ongewone frontispice heb ik een foto van hem geplakt die indertijd bij een bespreking in de krant stond, ter herinnering aan een bijzondere, eigenzinnige en eenzame man die Apie werd genoemd.

    • Tonny van der Horst