Alle remmen los

Het lijkt erop dat de Lijst Pim Fortuyn (LPF) de leuze `ik zeg wat ik denk, ik doe wat ik zeg' van zijn naamgever steeds letterlijker neemt. Hoewel er door de misdaad van 6 mei geen antwoord mogelijk is, heeft deze week de wat-als-vraag toch de kop opgestoken: zou er onder Pims leiding ook zijn gevochten en gescholden in de Staten-Generaal? Ir. Ton Alblas en de 25 anderen zijn immers door Fortuyn geselecteerd. In besloten kring zou Fortuyn hebben laten weten dat hij zijn eigen lijst `brandhout' vond. Ook als dat waar is, dan nog is het een feit dat hij de parlementariërs die onder zijn vlag politiek bedrijven, heeft goed bevonden voor een verkiesbare plaats. Fortuyn wilde immers een beweging, geen partij. Als leider zocht hij dus zijn eigen kader en niet omgekeerd. Omdat Fortuyn is vermoord, weten we nu helaas alleen wat we aan zijn volgelingen hebben. Mogelijk is de rechtse directe van ir. Alblas nog te rangschikken onder de term `betreurenswaardig incident', zoals hij zich verontschuldigde, en geen voorbode van een nieuwe vorm van politieke pugilistiek. Maar waarom gedragen zijn geestverwanten zich dan ook verbaal zo vechtlustig? We hebben de volgende bijdragen aan het parlementaire discours kunnen noteren: ,,ophoepelen, doodvallen, dikke lul, fuck you''.

Het is taalgebruik dat inderdaad niet onder de vermaledijde `oude politiek' is te rangschikken. Maar is het de `nieuwe politiek' waarom 1,6 miljoen burgers zo zaten te springen dat ze ofwel weer eens kwamen stemmen danwel de gevestigde partijen de rug toekeerden? Hopelijk niet. Het zou betekenen dat `nieuwe politiek' een ander woord is voor `kroegpraat'. Dat de burgers zich in hun eigen omgeving vaak ruig uiten, is bekend. Dat hun vertegenwoordigers hun expressie niet onderwerpen aan enig kuisen, is wel nieuw.

Volgens sommige intellectuele `fellow travellers' van de Fortuyn-beweging komt zo de volkswil ongefilterd en dus beter tot zijn recht. Maar deze redenering, die wordt gekenmerkt door een wellustige gretigheid, gaat eraan voorbij dat de democratie sinds het begin in Nederland niet is gebaseerd op de behoefte de burger zo direct mogelijk te representeren, maar op het idee dat de burger zijn stem delegeert aan afgevaardigden die `zonder last en ruggespraak' moeten kunnen opereren. Dit uitgangspunt is geen dogma – vele partijen zijn ertegen te hoop gelopen, van radencommunisten tot leefbaren – maar aan de nu geëtaleerde minachting voor de klassieke parlementaire democratie is geen behoefte.

Ze zeggen dat de LPF gisteravond ook tot dat inzicht is gekomen. Onder druk van premier Balkenende en hoon van de buitenwereld hebben de leiders van de verschillende stromingen in de beweging de strijdbijl begraven. De oplossing die is gevonden, is puur atmosferisch. Vice-premier Bomhoff, fractieleider Wijnschenk, partij-advocaat Hammerstein en boegbeeld Heinsbroek hebben beloofd niet meer zo openlijk aan elkaars stoelpoten te zagen. De machtsvraag is uitgesteld. Dat is lovenswaardig. Maar met politiek heeft het weinig te maken. En dat is de LPF juist zo euvel te duiden.

Een van de belangrijkste beloftes van de Fortuyn-beweging was dat ze de bureaucratie werkelijk zou terugdringen. Die toezegging heeft ze nu al geschonden. Door het egocentrisme heeft de partij van Bomhoff, Heinsbroek, Hammerstein, Wijnschenk en vele andere nieuwe politici met een persoonlijke wil tot macht vrij baan gegeven aan de ambtenaren die volgens Fortuyn juist een toontje lager moesten zingen. Door vooral met elkaar bezig te zijn en niet met het bestuurlijke apparaat hebben de nieuwe politici een cruciale achterstand opgelopen. Voor ambtenaren zijn politici vaak passanten. De LPF'ers zijn daarvan bij uitstek een voorbeeld gebleken. Mede dankzij hen is de ambtelijke macht onder het nieuwe kabinet in de eerste maanden versterkt in plaats van verzwakt. De bureaucratie is voorlopig dé winnaar van de politieke omwenteling die de Fortuyn-beweging heeft ontketend.