Stop discriminatie dieren

De Britse filosoof Jeremy Bentham schreef ongeveer 200 jaar geleden: ,,De vraag is niet: kunnen ze redeneren? Ook niet: kunnen ze praten? Maar: kunnen zij lijden?''

Die `ze', waren de dieren. Bentham bedoelde daarmee dat ook dieren onder het beslag van de moraal vallen. Het zijn geen dingen waarmee je maar van alles mag doen, maar wezens met een morele status. Die morele status danken zij niet aan het feit dat zij kunnen redeneren of praten, maar aan hun vermogen om te `lijden'.

Wezens die `gevoel hebben' (sentient beings) kunnen morele aanspraken doen gelden. Planten vallen daar dus buiten. Dieren die geen enkel gevoel kunnen hebben, een garnaal bijvoorbeeld, ook. Maar dieren die, net als mensen, kunnen lijden hebben belangen bij een `dierwaardige' behandeling.

Dit inzicht, hoe elementair ook, zou verstrekkende gevolgen hebben. In 1822 nam het Britse parlement een wet aan die het strafbaar maakte om bepaalde dieren, zoals ezels, paarden, schapen en andere beesten nodeloos wreed te behandelen. Inmiddels is de wetgeving in Engeland en andere beschaafde landen zodanig geëvolueerd dat men ervan uitgaat dat geen enkel dier nodeloos wreed mag worden behandeld.

Zo beschermt het recht zowel dieren die in het wild leven als ook gedomesticeerde dieren. Ook zijn wettelijke bepalingen gemaakt die het verbieden om dieren op een bepaalde manier te doden. Verder is ook geregeld hoe experimenten met dieren mogen worden genomen.

Deze verandering van recht en moraal heeft natuurlijk plaatsgevonden omdat onze morele beleving ten aanzien van dieren is veranderd. De journalist Ralf Bodelier beschreef in een kort verhaal in deze krant hoe Afrikaanse jongens de poten van een hond met ijzerdraad aan elkaar hadden gebonden en vervolgens de hond in de branding gelegd om te zien hoe hij langzaam verdronk. Gruwelijk, vinden we nu. En dichter bij huis: allerlei `jongesspelletjes', zoals het in stukjes snijden van wormen of het opblazen van kikkers kunnen tegenwoordig op universele afkeuring rekenen. Zijn dat geen manifestaties van een voortschrijdend beschavingsproces?

Natuurlijk staan mens en dier niet gelijk in de zin dat ze dezelfde mogelijkheden hebben. Omdat dieren niet kunnen redeneren, kunnen ze ook niet voor zichzelf procederen. Omdat zij niet kunnen praten, kunnen zij niet protesteren. Maar sprookjes of de films van Walt Disney hebben altijd getuigenis afgelegd van de intensieve communicatie tussen mens en dier, en dat is meer dan kinderlijke sentimentaliteit.

De vraag is nu of het moet blijven bij zorg voor dierenwelzijn en dierenbescherming of dat de stap kan worden gemaakt naar dierenrechten?

Stel een slavenhandelaar in 19de eeuw zou hebben gezegd: ,,Waarom gelijke rechten voor zwarten en blanken? Wij, blanken, zorgen toch goed voor zwarten?'' Of stel een tegenstander van het feminisme zou hebben gezegd: ,,Waarom gelijke rechten voor mannen en vrouwen? Het is toch voldoende wanneer wij, mannen, goed voor onze vrouwen zorgen?'' Dan zal het antwoord van de meesten van ons zijn: ,,Dat doet niet terzake, het gaat erom dat zwarten en blanken, mannen en vrouwen, gelijkberechtigd moeten zijn.'' Zolang geen redelijke grond bestaat om onderscheid te maken, geldt het gelijkheidsbeginsel. Een schending daarvan noemen we tegenwoordig `discriminatie'.

Precies dit punt werd door Bentham aan de orde gesteld. Dieren achterstellen bij mensen omdat zij niet kunnen praten, is een vorm van discriminatie. Men spreekt wel van `speciesisme': een onredelijke bevoordeling van de eigen soort. De enig redelijke grond om onderscheid te maken is het vermogen tot lijden. Een steen kan dus niet klagen dat hij wordt achtergesteld bij een hond, immers een steen kan niet lijden.

Wanneer we de verklaringen van de rechten van de mens gaan doornemen op de vraag of bepaalde rechten zich ook lenen voor toepassing op dieren is het resultaat verrassend: veel van die rechten lenen zich daarvoor. Een recht om niet gefolterd te worden voor een aap is bepaald niet vreemd. Een recht op privacy voor een kistkalf ook niet. Een recht op bewegingsvrijheid voor een varken evenmin. Dat betekent dat de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948) in wezen een discriminatoire verklaring is: deze maakt onderscheid tussen mens en dier op irrelevante gronden.

Dit onrecht zou eigenlijk moeten worden geredresseerd. Er zouden verklaringen moeten komen van de rechten van dieren. Een goed begin is misschien ons te concentreren op de dieren die wij, mensen, houden voor het genoegen dat ze ons geven of voor de producten die ze ons leveren: een verklaring van de rechten van het productiedier. De Stichting Varkens in Nood heeft nu een begin van zo'n verklaring klaar. Het uitgangspunt is dat de mens voor eigen nut miljarden productiedieren houdt. Dat geeft een verantwoordelijkheid. Wij hebben de morele plicht de rechten van productiedieren te beschermen en zouden dat uiteindelijk ook moeten doen door een speciaal daartoe ingericht Gerechtshof voor Dieren.

Hans Baaij is directeur van de Stichting Varkens in Nood, waarvan Paul Cliteur ambassadeur is. Morgenavond begint om 20.15 uur in De Rode Hoed in Amsterdam een bijeenkomst over dierenrechten. Informatie over de verklaring is te vinden op: www.varkensinnood.nl

    • Paul Cliteur
    • Hans Baaij