`Nederland zal keuzes moeten maken'

Vandaag maakt Nederland kennis met een nieuw onafhankelijk kennisinstituut op het gebied van de ruimtelijke ordening: het Ruimtelijk Planbureau. Het RPB gaat de politiek bestoken met analyses, onderzoeken, visies en concepten. Directeur Wim Derksen: `Als je het kunstmatige onderscheid tussen stad en land blijft hanteren, verlies je de greep op de ruimte.'

`Het Ruimtelijk Planbureau heeft geen mening. Wij doen geen uitspraken over wenselijkheden. Het de vraag of dat de komende jaren ook zo zal worden begrepen door politici. Want we zullen best lastig zijn. Door op ontwikkelingen te wijzen. Op ervaringen uit het verleden. Dat kan al gauw worden opgevat als een politiek standpunt. Omdat het een nuancering is van het staande beleid.''

Prof.dr. Wim Derksen (50), voormalig hoogleraar bestuurskunde, is begin dit jaar directeur geworden van het nieuwe Ruimtelijk Planbureau, het RPB in Den Haag. Vanuit de zestiende verdieping van de Malietoren, pal boven de Utrechtsebaan, met uitzicht over stad en ommeland, heeft Derksen de afgelopen negen maanden een planbureau uit de grond gestampt dat de Haagse beleidsmakers, zo belooft hij, gaat bestoken met analyses, onderzoeken, visies en concepten, ongeveer zoals het Centraal Planbureau. Vandaag presenteert het RPB zich voor het eerst met een groots symposium in Den Haag.

Veelbelovend is het werkprogramma voor dit en komend jaar. Vaste prik wordt de publicatie van het ene jaar de Ruimtemonitor, waarin ruimtelijke ontwikkelingen van de afgelopen jaren én de effecten van gevoerd beleid worden gevolgd, en het andere jaar de Toekomstverkenningen, waarin mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen worden beschreven. Het RPB gaat ook onderzoek doen naar de invloed op de ruimte van de tijdsbesteding van mensen. ,,Hoe meer rollen mensen vervullen, hoe meer gefragmenteerd hun ruimtelijk gedrag.'' Naar het opwekken van nieuwe energie: ,,Op langere termijn zal de overgang van koolstofeconomie naar waterstofeconomie belangwekkende ruimtelijke consequenties hebben.'' Naar het effect van ander dan ruimtelijk beleid op de inrichting van Nederland: ,,Te denken valt aan het grondbeleid van de rijksoverheid en aan de hypotheekrenteaftrek.'' En naar de functies van het platteland in een verstedelijkte samenleving: ,,Het Nederlandse platteland is getransformeerd tot een multifunctionele verblijfsruimte, waarin `consumptiefuncties' als recreatie, toerisme, natuur- en landschapsbehoud en het (landelijk) wonen steeds belangrijker worden.''

De eerste maanden van zo'n nieuw instituut waren fascinerend, zegt Derksen, onder meer om te zien hoe het zich een positie verwerft en hoe anderen daarop reageren. ,,Bij andere departementen denkt men nog steeds dat we bij VROM horen, terwijl VROM vindt dat we op te grote afstand staan.''

De oprichting van een Ruimtelijk Planbureau werd juist noodzakelijk geacht om het planologisch onderzoek los te koppelen van het beleid. Tot voor kort deed de Rijks Planologische Dienst onderzoek en stippelde beleid uit. Deze dienst is opgeheven. Derksen: ,,Vanaf de jaren tachtig is dat onafhankelijk onderzoek van de RPD als het ware in het departement gezogen, ook letterlijk doordat ze in hetzelfde pand zaten. Daardoor werd niet alleen ruimtelijk beleid, maar ook ruimtelijk onderzoek een zaak van de minister. Dat kan je niemand verwijten, maar dat geeft problemen. Andere departementen gaan zich afvragen of de cijfers wel betrouwbaar waren, of ze niet politiek gekleurd zijn, of het niet gewoon de cijfers van Alders, De Boer en Pronk zijn.''

Tot welke verwarring dit kan leiden, blijkt uit de discussie over het Groene Hart. Derksen: ,,Als de minister bepaalt dat er geen groei in het Groene Hart mag zijn en er strakke grenzen omheen trekt, dan is het voor zijn eigen dienst uitermate moeilijk om te zeggen: er gebeurt juist heel veel. Toch is binnen de grenzen van het Groene Hart de gemiddelde woningdichtheid gelijk aan de gemiddelde woningdichtheid in heel Nederland. En telkens als er weer een gebied bewoond is geraakt, trekken ze bij VROM de grenzen weer anders.

,,Het Groene Hart is een metafoor voor rust en landelijkheid. Dat heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat de ontwikkeling in het gebied restrictiever is dan zij anders zou zijn geweest. Tegelijkertijd creëert die metafoor een eigen dynamiek: mensen in Den Haag denken dat het hele Groene Hart wonderschoon is. Dat heeft ertoe geleid dat Wim Kok ooit heel blij kwam vertellen dat het kabinet had besloten om een tunnel aan te leggen onder het Groene Hart. Iedereen die er op zijn racefiets gaat kijken, kan zien dat het een rommelig gebied is, waarin het moeite kost om niet ergens een flat te zien. Het geld voor die tunnel had veel beter besteed kunnen worden. Ik ben in mijn nieuwe functie ook nog niemand tegengekomen die het fantastisch vindt dat wij die tunnel daar aanleggen.''

Wij zijn in Nederland wel vaker slachtoffer van metaforen en verouderde concepten, zegt Wim Derksen. We willen vaak gewoon niet zien wat zich op veel plekken aan ontwikkelingen voordoet. Liever houden we vast aan heilige beelden die ons geloof in de maakbaarheid van de ruimte bestendigen. Het gevolg daarvan is, zegt hij, dat we over onvoldoende strategieën beschikken om effectief met die ontwikkelingen om te gaan. Als we die wel zouden hebben, als we een offensieve in plaats van een defensieve politiek zouden voeren, dan zouden we de wonderschone delen binnen dat Groene Hart, die er wel degelijk zijn, kunnen beschermen. Door een gebied als de Nieuwkoopse Plassen in omvang te verviervoudigen. Of door het waardevolle polderlandschap van de Alblasserwaard in z'n geheel op te kopen. ,,Dat was net zo duur geweest als de bouw van die tunnel.''

De belangrijkste mythe waarvan ,,wij'' in Nederland het slachtoffer zijn geworden is het kunstmatige onderscheid dat nog steeds wordt gemaakt tussen stad en platteland. Dat hele concept, dat ook nog ten grondslag ligt aan de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (die door de val van het kabinet-Kok nét niet door de Tweede Kamer werd geloodst), belemmert de overheid vaak bij het vinden van strategieën die ook echt werken. Hoe effectief, vraagt Derksen zich af, zal het trekken van rode contouren rondom de grote steden zijn?

,,Het onderscheid tussen stad en land is niet meer bruikbaar om te beschrijven wat er in de Deltametropool gebeurt. De maatschappelijke dynamiek is volstrekt anders, die glipt overal tussendoor. Stedelijke functies zijn verspreid geraakt over het hele gebied van de Deltametropool. Als de Tweede Kamer zegt dat de helft van de nieuwe woningen in de stad moeten worden gebouwd, waar praten we dan over? Wat is een stad? Schiphol is geen stad, want het heeft geen burgerlijke stand, maar we weten wel dat het een samenballing van stedelijke functies is. Er wordt gesproken over `tweede' huizen, omdat ze in het oude onderscheid niet tot de stad maar tot het land behoren. Tegelijkertijd weten we dat steeds meer mensen hun `tweede huis' permanent bewonen. We weten ook dat er een enorme behoefte is bij mensen om `buiten' te gaan wonen. Op de Veluwe zijn de laatste vier jaar vierduizend stenen `tweede huizen' gebouwd. Daar wonen mensen die mentaal geheel `verstedelijkt' zijn.

,,Wat bedoelt men met het platteland? Een dorp in Drenthe zit vol met stedelingen die bij de NAM in Assen of de Gasunie in Groningen werken. Het platteland met dorpen met een smid bestaat niet meer. Als je in beleidsstukken over het buitengebied leest, dan denk je dat er buiten de stad nog koeien met grote uiers rondlopen die twee keer per dag met de hand worden gemolken. Maar ik zie nooit meer een koe. Als ik de stad verlaat, zie ik dozen langs de snelweg. Als ik van hieruit het Groene Hart in rijd, rijd ik tussen de dozen door. Net zoals van Rotterdam naar Gorinchem. Of wanneer je vanuit Duitsland bij Zevenaar het land binnenkomt: één grote parade van bedrijven.

,,Als je in zo'n situatie begrippen als stad en land blijft hanteren, verlies je de greep op de ruimte. Dan ontstaan er dozen langs de snelweg die iedereen lelijk vindt, enorme dingen met grote parkeerterreinen eromheen die allemaal een ietsje artistiek willen doen. Als de overheid bedrijven op bepaalde plaatsen langs de snelweg had mogelijk gemaakt, of zelfs had toegejuicht, dan hadden we daar interessante centra van bedrijvigheid kunnen maken. Mijn stelling is dat je zulke ontwikkelingen beter offensief kunt begeleiden dan dat je ze ontkent.''

We zullen in Nederland keuzes moeten maken, zegt de onvermoeibaar en enthousiast doorpratende Wim Derksen, ,,politieke keuzes'' over onze mondiale positie. ,,Als nationale overheid moet je in de mondiale dynamiek een standpunt bepalen. Je moet weten wat je wilt met dit land.''

We deinzen nu nog terug voor de ruimtelijke consequenties van het meest voor de hand liggende concept, namelijk dat van doorvoerland. Derksen: ,,Het handelen zit ons in het bloed. Dat kunnen we goed, daar zijn we handig in. Maar als je kiest voor het concept doorvoerland, dan moet je ook eerlijk zijn en ruimte maken voor bijvoorbeeld Schiphol.'' Derksen trekt een vergelijking met Wenen, dat dan wel aanzienlijk groter is dan Amsterdam, maar waar het ,,schattige'' vliegveld toch getuigt van een ander concept. ,,Elk uur komt er bij wijze van spreken één vliegtuig aan.'' De ruimtelijke ordening van tegenwoordig vraagt erom eerst de mondiale positie goed te bepalen. Het planologische denken in Nederland houdt nog te vaak op bij de grens, zegt Derksen, alsof de ruimte over de grens plotseling ophoudt. Ook het debat over de Zuiderzeelijn zou in die termen moeten worden gevoerd. ,,We praten over de Zuiderzeelijn terwijl er in het noorden van Duitsland toch echt niet zo heel veel gebeurt.''

Dat mondiale perspectief, zegt Derksen, dwingt ons ook om scherper na te denken over de ruimtelijke identiteit van Nederland. Wat vinden we zozeer de moeite waard vinden dat we dat willen beschermen? Dan kom je, aldus Derksen, misschien niet uit bij de Achterhoek, een streek die over de grens met Duitsland eigenlijk alleen maar mooier wordt, of bij Brabant, ,,een overgangsgebied met België''. Dan kom je ook niet uit bij steden als Rotterdam, waarvan er wel meer in Midden-Europa staan. Nee, dan kom je uit bij het polderlandschap, het rivierenlandschap, bij de oude binnensteden met hun grachten die Nederland uniek maken: Amsterdam, Delft, Leiden, Dordrecht enzovoorts.

Maar dan moet je wel durven kiezen, redeneert Derksen. In het ruimtelijk beleid van Nederland wordt al lang gestreefd naar evenwicht. Uit het oogpunt van rechtvaardigheid willen we niet graag een stad `voortrekken'. Het maken van keuzes, stelt Derksen, houdt in dat niet alle Nederlandse steden hetzelfde moeten willen doen. Ze moeten niet allemaal een stadshart, een schouwburg, zakelijke dienstverlening en vooral IT-bedrijven willen hebben — temeer daar de schaal van de stedelijke functies veel groter is geworden en het onderscheid tussen stad en land, zoals gezegd, is vervaagd. ,,Je moet af van de gedachte dat je een volwaardige, complete stad moet zijn.'' Kijk liever naar waar je sterk in bent.

Derksen noemt enkele voorbeelden. Waarom moet Rem Koolhaas in Almere eigenlijk een stadshart bouwen, als het concept van Almere toch duidelijk een ander is dan dat van oudere steden? En als Den Haag heel terecht inzet op de identiteit als juridische hoofdstad van de wereld, waarom dan niet ook wat meer recreatieve voorzieningen treffen voor al die hoogopgeleide juristen? ,,Dan heb je meer nodig dan de patatcultuur van Scheveningen.'' Waarom moeten alle grote steden hun stations opwaarderen, terwijl zoiets toch vooral nodig is voor die steden die aan de hogesnelheidslijn komen te liggen? En waarom zitten er bij het grotestedenbeleid in een mum van tijd liefst dertig steden aan tafel, terwijl veel van die steden helemaal geen stedelijke knooppunten genoemd kunnen worden? ,,Niemand zegt hier ooit: nu is het wel genoeg.''

Wie keuzes maakt kan selectiever zijn. Dat is volgens Derksen van groot belang omdat de maakbaarheid van de ruimte gemakkelijk wordt overschat. Je moet als bestuurder de maatschappelijke dynamiek nooit onderschatten, zegt de RPB-directeur. Hij signaleert twee problemen. Ten eerste kan je de maatschappelijke ontwikkelingen niet tegenhouden, op z'n hoogst begeleiden. Als ,,een kenmerkend voorbeeld'' noemt Derksen de pogingen van het Rotterdamse stadsbestuur om Joop van den Ende naar de Kop van Zuid te krijgen, ,,ter verhoging van het culturele peil van Rotterdam'', zo voegt hij er ironisch aan toe. Dat wilde Van den Ende niet. ,,Aalsmeer is voor hem prettiger.''

Ten tweede is het een misvatting dat de overheid met één stem spreekt. De overheid bestaat uit vele partijen, uit departementen, uit provincies, uit gemeenten, allemaal met hun legitieme eigen opvattingen. Bovendien staat de rijksoverheid vaak te ver af, zodat het rijk per definitie afhankelijk is van de medewerking van gemeenten. Als voorbeeld noemt Derksen het overleg binnen de Rijks Planologische Commissie (RPC), een commissie van ambtenaren van verschillende departementen, over het al dan niet toestaan van de uitbreiding van een dierenartsenpraktijk met een manege ergens in Brabant. Geamuseerd: ,,Daar zit dan vijftien man in salarisschaal zestien tot achttien een half uur over te praten.'' Wel of geen agrarische bestemming? Wel of niet in strijd met het rijksbeleid? En wat is dan het rijksbeleid? Is dat het beleid van het huidige kabinet of van het vorige, omdat de aanvraag voor een bouwvergunning al weer enige tijd geleden is ingediend. En wat vindt het huidige kabinet dan? In het Strategisch Akkoord staat dat lagere overheden meer te zeggen moeten krijgen. Maar het Akkoord meldt óók dat plannen beter moeten worden gehandhaafd. In een notendop zie je hier hoe de ruimte zich te midden van tegengestelde belangen ontwikkelt en dat één centrale regisseur ontbreekt. Uiteindelijk, rondt Derksen de anekdote af, heeft RPC-voorzitter Jos van Kemenade er maar een volzin over geformuleerd.

Het concept dat in de plaats moet komen van het onderscheid tussen stad en land, zegt Derksen, is dat van het ,,netwerk''. Niet de steden zijn drager van ruimtelijke ontwikkelingen, maar ,,knooppunten'' die op verschillende plekken en op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Knooppunten zoals Alexandrium in Rotterdam. Het winkelgebied rondom de Arena in Amsterdam. De Zuidas. Schiphol. Het ,,vermaaksknoopje'' met amusementsfuncties in Zoetermeer. De klontering van IT-bedrijven in Groningen. De binnenstad van Amsterdam. De televisiestudio's van Joop van den Ende in Aalsmeer. De thuiswerker. Allemaal knopen. We denken te veel in termen van ,,plekjes'' waar we een ,,bestemming'' op leggen, zegt Derksen. ,,Bewegingen zijn voor de ruimte veel bepalender dan plekken.''