KOST EN INWONING

Er is een prentje dat de Schepping heet, waarop een mannetje God staat na te doen door een beetje met aardbollen te jongleren. Het prentje straalt dezelfde vrolijkheid uit als dit gedicht, een vrolijkheid die ons inpalmt en meevoert, juist omdat het om zo'n zwaarwichtig onderwerp gaat.

Dat is wat je moet doen met een gedicht als Beginne, je gewoon een eind laten meevoeren. Het is een stuiterspel, het gedicht zorgt er wel voor dat je verderop terechtkomt, het zal zich niet verzetten. Het tilt je op, laat je vallen, sleept je weer verder. Je moet niet precies willen weten wat het met je uitspookt. Aan het eind heb je heus wel door dat het een springerig gedicht is geweest, waarin serieuze morseseinen werden meegestuurd. De dichter heeft met je gejongleerd en je bent duizelend ietsje wijzer geworden.

De creatie en haar consequenties, daar zal het over gaan. Met verhaaltjes en anekdotes hoef je bij de dichter niet aan te komen, het gedicht wordt bevolkt door weidse begrippen als heelal, droesem, kind, vlerken, wrake, ballast. Vallen en valwind komen erin voor, stijgen en klimmen. Het werkwoord ontwaken zelfs drie keer. Valleien en golfslag. Het is een gedicht van opwaartse en neerwaartse beweging, van het uitslaan van vleugels.

Laten we onze manier van lezen net zo dansant houden als het gedicht. Speels begint het

Zo zijn de heelallen bevallen

van de som aller getallen

baldadig zelfs, en toch is er de onverklaarbare valwind, helemaal passend bij de onschuld van het kind. Er is iets ontstaan wat nog geen vleugels heeft, maar ondanks dat gebrek zet de speelsheid zich voort. Niet dat ik het tweede viertal regels helemaal begrijp. Vooral dat tekenstam komt me erg godvergeten voor: is het misschien een stam waarin zich tekens of littekens zullen vastzetten? Voorbode van het verlies van onschuld? 't Is of de dichter het ook niet helemaal begrijpt, met zijn `ja ja het zijn de gare rapen' als commentaar in de regel daarop.

De gare rapen komen uit de droesem, uit de bodem van de beker, en staan het eerst op papier. Ah, de dichter heeft het over het scheppen, zijn scheppen. Hij schrikt ervan

En o nee o nee het zijn

de toevallige trouvailles

hij kaatst de bal terug naar het toeval, maar intussen vormen het toevallige en de valleien de voortzetting van de keten die met heelallen en bevallen begon, het blijft dansen op het koord. Trouvaille of niet, de creatie is onlosmakelijk verbonden met erotiek. Taille en billen.

De seksualiteit ontwaakt, het kind wordt kleine vrouw. Ontwaking we zijn terug bij de bron van het gedicht

zo ontwaken wij vallende allen

het proces wordt na de gedachtestreep met de grootste ernst op ons allen, op ons aller lot betrokken. `Maar o wee o wee wie lachen wil', laat de dichter er meteen op volgen, duidelijk uit een behoefte terug te keren naar de spot. Hij jojoot. Wat eerst zonder vleugels was krijgt nu wel zeven vlerken aangenaaid. De woorden `denkbeeldigheid' en `lood om oud ijzer' staan niet voor niets in het kwatrijn waar de klappen vallen. `O jee o jee de wrake.' De bijbelse wrake is er steevast voor wie zijn vleugels wil spreiden.

Er blijkt aan het slot een keuze gemaakt. Voor het laten vallen van ballast. Voor de eenzaamheid. Het `stijgen en stijgen en stijgen' is de beloning voor de van ballast verloste eenling. Je kunt er net zo goed de apotheose van de dood in lezen. Of iets over het lot van de scheppende kunstenaar. Of iets over de doem van de erotiek. Is de kringloop rond aan het slot? Daarvoor moet je o nee, o wee, o jee weer bij de eerste regel beginnen. Al herlezende gaat het gedicht steeds verder open. Het is een opwekkend gedicht. Elke keer als ik voor eventjes verzoend wil raken met de paradox van creatie en vernietiging herlees ik het.

    • Gerrit Komrij