De wereld volgens dagdromer Van Mierlo

Ik heb lang genoeg gewoond in het buitenland om te weten dat Nederlandse politici door de bank genomen niet dommer zijn dan elders. Sommige kenmerken van onze politieke cultuur zijn echter volstrekt uniek. En het is de vraag of wij daar trots op moeten zijn.

Overal in het vrije westen bestaat de gewoonte om op basis van argumenten met elkaar te discussiëren. Alleen bij ons komt het regelmatig voor dat politieke stellingen worden betrokken zonder dat ook maar een poging wordt ondernomen om het geheel van een deugdelijke argumentatie te voorzien. Of nog erger: zonder dat wordt aangegeven hoe men zijn of haar ideaal denkt te kunnen verwezenlijken. Sterker nog: iemand die een dergelijke houding aanneemt kan in Nederland zelfs onderscheiden worden met de titel Minister van Staat.

Vorige week kon weer eens worden vastgesteld dat de jaren '60 ons land weinig hebben opgeleverd. Hans van Mierlo, die het altijd al moeilijk vond om een onderscheid te maken tussen zijn zielenroerselen en volwassen politieke oordeelsvorming, meende met groot misbaar uit de Europese Conventie te moeten treden nu het huidige kabinet een veel realistischer Europa-politiek voert.

Hij was duidelijk in zijn wiek geschoten. Hij voelde zich buitengewoon thuis in een gezelschap van halve en hele intellectuelen, politici en dagdromers waarin ideeën vrijelijk kunnen worden geventileerd, ook als zij nog onvoldragen zijn. De Conventie is eigenlijk een soort Europees D66-congres. Alles kan en alles mag omdat wij toch geen verantwoordelijkheid hoeven te dragen.

Voordat Van Mierlo zich voorgoed terugtrekt in de vergetelheid, wilde hij kennelijk nog een keer vlammen. Als een echt staatsman meende hij de vereisten van onze tijd beter te begrijpen dan het kabinet.

Van Mierlo, die zich al enige tijd ergert aan de arrogantie van de Amerikaanse regering, greep zijn vertrek aan om een warm pleidooi te houden voor een slagvaardig gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid. De boodschap was duidelijk: er moest tegenwicht worden geboden aan de perfide immorele Amerikanen.

Op zichzelf is er niets mis aan een dergelijk pleidooi. Het zou inderdaad beter zijn indien het aantal supermogendheden in de wereld niet beperkt was tot één. Concurrentie is altijd gezond. Tot zover is er dus niets aan de hand.

Wat echter volstrekt onacceptabel is, is dat Van Mierlo geen enkele poging deed om zijn ideaal van een Verenigd Europa te confronteren met de huidige internationale situatie. Kennelijk is hij niet bang dat politici die zich beperken tot goede bedoelingen en comfortabel surfen op het ongenoegen van het volk zonder dat zij aangeven hoe hun ideaal zou kunnen worden verwezenlijkt, op den duur alleen minachting zullen oogsten.

Nog erger is dat de Nederlandse media dit soort zaken kritiekloos laten passeren. Van Mierlo mocht bij Barend en Van Dorp nog eens demonstreren hoezeer hij het contact met de werkelijkheid heeft verloren zonder dat de anders altijd zo licht ontvlambare Jan Mulder ontplofte. Ook de commentaren in de kranten waren meestal mild van toon.

Terwijl de Balkanoorlogen, 11 september en Irak nog weer eens hebben bewezen dat Europa tot op het bot verdeeld is, komt Van Mierlo vertellen dat Europa één moet worden. Terwijl de Frans-Duitse as nog verder in het ongerede is geraakt door Schröders anti-Amerikanisme, draait Van Mierlo nog steeds dezelfde grammofoonplaat af. Terwijl Europa als geheel geopolitiek irrelevant is geworden als gevolg van de Amerikaans-Russische as, blijft hij zeuren dat het Europese bouwwerk onvoltooid is. Terwijl de Amerikanen, Britten, Fransen en Russen ruzie maken over de toekomstige olieconcessies in Irak, meent hij dat wij eens met Londen en Parijs moeten gaan praten over die nare Amerikanen.

In welke wereld leeft hij eigenlijk? Zou hij echt denken dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk straks zonder slag of stoot hun zetel in de Veiligheidsraad zullen opgeven voor een Europese zetel? Zou hij echt volstrekt onwetend zijn van het feit dat sommige Duitse politici dromen van een Duitse zetel in de Veiligheidsraad en een eigen kernwapen?

Professor Cliteur zei laatst in een interview dat in Nederland veel meer ruzie zou moeten worden gemaakt, en ik vrees dat hij gelijk heeft. Waarom slikken wij in Nederland zo vaak allerlei kletspraat als zoete koek? Hier wreekt zich dat politieke partijen zo weinig nieuwe kandidaten naar voren hebben geschoven. De grootste concentratie nieuwelingen zit natuurlijk bij de LPF, maar die partij bestaat voornamelijk uit leeghoofden.

Toch zijn er hier en daar lichtpuntjes. Jan Peter Balkenende, Atzo Nicolai en Wouter Bos zijn veertigers die nu hoge posten hebben bereikt. Het zijn mensen met wie ik in de collegebanken heb gezeten.

We moeten nog maar afwachten hoe zij het er vanaf zullen brengen, maar zij zullen ons in ieder geval niet iedere week lastigvallen met hun gewetensnood.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.