Butterfly als een Griekse tragedie

Al in de eerste onheilspellend driftige maten van Madama Butterfly hoort men de doem van het noodlot, en daarmee het schrijnende, oneindig tragische slot al aankomen. De manier waarop Edo de Waart het Nederlands Philharmonisch Orkest dirigeert maakt van Madama Butterfly ook hoorbaar de schrijnende kroniek van een aangekondigde harakiri, zoals Robert Wilson het stuk bij de Nederlandse Opera enscèneert. In de eerste acte is er een korte hevige scène, uitgelicht door een spot. We zien Butterfly met een dolk, overigens niet fysiek aanwezig. Een omstander maakt met een onthoofdingsgebaar duidelijk dat Butterfly's vader daarmee zelfmoord pleegde. Als ze haar zoontje moet afstaan, zal ook Butterfly zich doden met dat zelfde vlijmscherpe gebaar.

Het toneelbeeld van Robert Wilson is minimalistisch en esthetisch als altijd en valt hier ook zonder de gebruikelijke Japanse detaillering vanzelfsprekend samen met de Japanse stijl- en vormgevingsprincipes. Er is een kaal gestileerd landschap, daarachter een doek waarop bij elke stemmingswisseling andere kleuren verschijnen. De personages doen denken aan het No-theater, hun kostumering is quasi-Japans maar niet folkloristisch, hun bewegingen zijn precieus bestudeerd met een variëteit aan symbolische gebaren.

De abstraherende, serene, intense en subtiele grondslag van de scènische, de muzikale èn de vocale uitbeelding brengt de Japans-Italiaanse-Amerikaanse Madama Butterfly terug tot een variant op de Griekse tragedie met een onafwendbare afloop. De omstandigheden zijn kil en cynisch, de gevolgen van het noodlot zijn daardoor extreem meelijwekkend, indringend en aangrijpend.

Maar wat Wilson toont en wat De Waart en de met zorg gecaste zangers hoorbaar maken, blijft streng en conceptueel van aard. De toeschouwer kan zijn gevoelens niet de vrije loop laten bij een voorgekauwde realistische uitbeelding van het leed. Men moet zelf nadenken, de teksten, beelden en de expressie van het zingen duiden en zelf conclusies trekken uit het mythische verhaal van deze archetypes. Geen wonder dat De Waart Puccini's muziek tegen het eind zelfs Wagneriaans laat klinken.

Edo de Waart dirigeert hier zijn eerste Madama Butterfly en licht, onbelast door traditie, de partituur uit met een koele glans. Alles klinkt dun, helder, schril of dramatisch, zonder de weeë sentimentaliteit die anders het eerste deel beheerst. Daar lijkt het dan nog mooi: een exotisch huwelijk van de stoere Amerikaanse zeeofficier Pinkerton met het Japanse poppenmeisje Butterfly. Hier hoort men dat vanaf het eerste moment alles fout zit en men ziet dat er geen contact is tussen de personages en hun culturen. Pinkerton, in de uiterlijk onaangedane uitbeeelding van Martin Thompson een alien, zegt het ook: hier sluit ik een huwelijk dat volgens de Japanse wet zó weer kan worden ontbonden, straks in Amerika ga ik ècht trouwen.

Alles blijft op afstand en dubbel, ook de verhouding tussen de tekst en de onuitgesproken `subtekst'. Men voelt dat Butterfly, in alle opzichten fascinerend vertolkt door de zeer geconcentreerde Kallen Esperian, ondanks haar vasthoudendheid een diep besef heeft van de onechtheid van haar huwelijk, waaraan ze ook in Un bel di vedremo zo hardnekkig vasthoudt.

Het is een 19de eeuws equivalent van extreme vormen van tv-dating als Ja, ik wil een miljonair en wordt hier door Wilson gepresenteerd in een virtuele werkelijkheid. Die bereikt een hoogtepunt in een slaapwandelscène van Butterfly's zoontje, wanneer wordt gewacht op de terugkeer van zijn vader.

Het is een soort kinderballet binnen Wilsons choreografische enscenering. We zien zijn American Dream, zijn visioen van het Amerikaanse paradijs, het land van zijn vader, die hij nog nooit heeft gezien. Klassieke balletposes zijn tegelijkertijd pogingen om een vliegtuig uit te beelden. Als hij op een rots klimt verbeeldt hij het Vrijheidsbeeld.

Deze scène is ook een pars pro toto, een samenvatting van de hele opera. Het kind, dat wegloopt van zijn moeder en bij haar terugkeert, imiteert zijn vader, die Butterfly verliet en met zijn nieuwe echtgenote haar weer opzoekt. Als Butterfly harakiri heeft gepleegd – haar dood gaat door merg en been – gebaren vader en zoon naar elkaar, over haar lijk. Al lijkt het alsof ze naar elkaar reiken, ze stoten elkaar af. Het kind ziet zijn vader als de moordenaar van zijn moeder. Dat maximaliseert de tragiek van deze Madama Butterfly.

Madama Butterfly van G. Puccini door de Ned. Opera en Ned. Philh. Orkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Kallen Esperian, Martin Thompson, Catherine Keen. Decor en regie: Robert Wilson. Gezien: 2/10 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 23/10; 13 t/m 31/1 (met Cheryl Barker in titelrol). Radio 4: 25/1; TV-uitzending op nader vast Inl. : (020) 625 5455. en www.hetmuziektheater.nl

    • Kasper Jansen