Buitenlandse legers vertrekken uit Congo

Meer dan 15.000 man aan buitenlandse troepen hebben Congo de afgelopen drie weken verlaten. Enkele duizenden zullen de komende dagen nog volgen. Dat heeft het hoofd van de VN-missie in Congo, Amos Ngongi, gisteren in de hoofdstad Kinshasa gezegd. Volgens hem ,,is de oorlog voorbij''.

Terugtrekking van de buitenlandse legers is een uitvloeisel van de vredesakkoorden die Congo de laatste maanden met buurlanden Rwanda en Oeganda heeft gesloten. Op het hoogtepunt van de oorlog bevonden zich zes buitenlandse legers op Congolese bodem. Rwanda, Oeganda en Burundi steunden verschillende rebellenorganisaties. Zimbabwe, Angola en Namibië vochten aan regeringskant.

De oorlog is een uitvloeisel van de genocide acht jaar geleden in Rwanda, waarbij 800.000 Tutsi's en gematigde Hutu's werden gedood. Na het bloedblad vluchtten de verantwoordelijke strijders van de Interahamwe-militie en van het regeringsleger naar Congo, waar ze een bedreiging bleven vormen voor het nieuwe Tutsi-regime in Rwanda. Om de Congolese president Mobutu ten val te brengen die de Hutu-krijgers de hand boven het hoofd hield, steunden Rwandese troepen in 1997 een opstand van rebellenleider Laurent Kabila. Toen Kabila als president ook de Hutu-rebellen steunde, keerden de Rwandese troepen zich een jaar later tegen hem. Dat was het begin van de wat de voormalige Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Richard Holbrooke, ,,de eerste wereldoorlog op Afrikaanse bodem heeft genoemd''. De strijd heeft de afgelopen jaren naar schatting aan 2,5 miljoen mensen het leven gekost.

Al in 1999 werd het vredesakkoord van Lusaka gesloten, dat voorzag in een staakt-het-vuren, terugtrekking van buitenlandse troepen, ontwapening en demobilisatie van milities zoals de Interahamwe, en een binnenlandse dialoog over de politieke toekomst van het land. Van uitvoering is jarenlang niks terechtgekomen, maar grote internationale druk bracht daarin dit jaar verandering.