Alternatieven in de kast

Een ,,uniek zelfportret van een alleenheerser.'' ,,Amerika is bereid in te grijpen zonder te wachten op de aanval van (...) vijandige krachten.'',,Amerika zal nooit meer tolereren dat een potentiële tegenstander even sterk wordt. Suprematie is een voorrecht dat geen imitatie duldt.'' ,,Amerika neemt afscheid van de multilaterale benadering.''

Met deze woorden vat Marc Chavannes, onze correspondent in Washington, in de krant van 28 september, de essentie van het veiligheidsdocument samen dat president Bush twee weken geleden het licht deed zien. Zijn deze geciteerde woorden genoeg om dat document een getuigenis van Amerikaanse Realpolitik te noemen?

Nee. Of althans: niet helemaal. Want bij het lezen van dat document struikel je ook voor zinnen als: ,,Wij streven naar een machtsevenwicht dat in het voordeel is van de vrijheid van de mens'' en: ,,Wij komen op voor het streven naar menselijke waardigheid.''

De werkelijkheid is dat de Amerikaanse politiek – welke dan ook – altijd moet verklaren ten dienste te staan van hoge idealen. Anders slikt het Amerikaanse publiek het niet. Dat is niet pure schijnheiligheid: de Amerikanen moeten ook in zo'n ideaal geloven, voordat ze ten strijde, of zoals bij het Marshallplan, de portemonnee trekken.

Dit is de wilsoniaanse kant van Amerika's buitenlands beleid, genoemd naar president Wilson, onder wie Amerika de Eerste Wereldoorlog introk, `the war to end all wars', die ten doel had de wereld `safe for democracy' te maken. Dat is de missionaire kant van de Amerikaanse politiek, die Chavannes ook aanstipt: ,,De VS hebben het beste model voor democratie en economie en leveren graag lesmodules aan gretige afnemers rond de globe.''

Nooit heeft het Britse imperium, zelfs in zijn hoogtijdagen, het nodig gevonden zich op zulke verheven, universele waarden te beroepen. Dan eerder Nederland, waar de gidslandgedachte nog vele aanhangers kent. En de laatste Memorie van Toelichting van minister Van Aartsen vond het in 2001 nog nodig te herinneren aan het motto waarmee het buitenlands beleid onder Paars II naar voren trad: ,,Gedreven door idealisme, gestuurd door realisme.'' Ook schijnheilig? Niet in de ogen van hen die erin geloven.

Nederlanders hebben dus niet veel grond om zich bezorgd, of vrolijk, te maken over de idealistische kant van het Amerikaanse beleid. En over de realistische kant? Ja het unilateralisme, de neiging tot eigenrichting, de aanspraak op het recht van de sterkste en op dat van preventief gewapend optreden, de voorliefde zaken te doen met `grote mogendheden'– dat alles moet een Nederlandse regering natuurlijk wèl zorgen baren, al zal ze zolang mogelijk proberen om `faire bonne mine à mauvais jeu'.

Wat anders kan zij doen? Welke alternatieven staan tot haar beschikking? Het logische alternatief waarmee het Amerika misschien zou kunnen bewegen tot groter multilateralisme, is een sterke Europese eenheid, een Europa dat met één stem spreekt en daarmee druk op Amerika kan uitoefenen. Maar de regering is realistisch genoeg om te beseffen dat die eenheid verre toekomstmuziek is – al zal zij dat doel niet publiekelijk opgeven.

Intussen dwingt de realiteit haar wel na te denken over alternatieven: welke koers te varen als èn de verwijdering tussen Amerika en Europa blijft groeien (of: het belang dat Amerika hecht aan Europa blijft dalen) èn een Europese politieke eenheid, die ook militair slagvaardig is, uitblijft. Wat dan te doen?

Zich bij ontstentenis van één Europa, aansluiten bij andere Europese mogendheden? Over een gezamenlijk optreden van de landen van de Benelux wordt al gesproken sinds het ontstaan van die organisatie. Steeds strandt dit ideaal op verschillen van politieke cultuur en belangen tussen zelfs deze ogenschijnlijk zo gelijke staten. De vrees van de Walen in een Nederlandstalig blok opgesloten te worden is niet het minste struikelblok – hoe ongegrond die vrees ook is (want tussen Nederland en Vlaanderen bestaan er ook verschillen).

Nauwere aansluiting bij Duitsland? In de praktijk zijn er weinig verschillen tussen beide regeringen, al zal bondskanselier Schröders Alleingang of, zoals hijzelf zei, deutscher Weg inzake Irak Den Haag, op z'n zachtst gezegd, niet hebben doen verlangen naar nóg nauwere aansluiting. Er zijn natuurlijk ook andere feiten in de relatie tussen beide landen die manen tot voorzichtigheid.

En Frankrijk? Hier stuiten we op een eeuwenoud wantrouwen aan Nederlandse kant jegens de motieven van de Franse buitenlandse politiek. Achter elk Frans initiatief wordt het streven gezocht Frankrijks zeggenschap in Europa te versterken, althans te behouden. Dit wantrouwen is niet altijd ongegrond, maar is dit streven op zichzelf niet elk land eigen?

Blijft over: Engeland, waarmee de Nederlandse diplomatie de meeste affiniteit heeft. Een nauwere band daarmee zou bovendien het voordeel hebben van de zekerheid dat Engeland tenminste nooit de band met Amerika op het spel zou zetten. De vraag is echter of Engeland eenzelfde affiniteit voor Nederland koestert en, zo ja, wat die waard is. Wederzijdse affiniteit is altijd meegenomen, maar wijkt in de praktijk meestal voor andere belangen.

Ten slotte is er nog de mogelijkheid het externe beleid van Europa te laten bepalen door de grote Europese mogendheden. Een pleidooi daarvoor deed de Belgische oud-minister van Buitenlandse Zaken Mark Eyskens een jaar geleden. Hij werd gesecondeerd door de Nederlandse oud-diplomaat Peter van Walsum. Onlangs lieten de Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek en – wat belangrijker was, omdat het hier om een actieve bewindsman ging – de tegenwoordige Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, een soortgelijk geluid horen. Maar als elk van de grote Europese mogendheden, zoals nu, haar eigen koers vaart, heeft het weinig zin ons lot aan hen toe te vertrouwen.

Waar het echter om gaat, is dat de regering over zulke alternatieven moet nadenken. Nadenken, dus niet in het openbaar discuteren – want dan zouden er slechts verwarring en misverstanden in binnen- en buitenland ontstaan. Maar het is altijd nuttig om eventuele alternatieven in de kast te hebben.