Zaken `op de plank', wat betekent dat eigenlijk?

Het openbaar ministerie krijgt jaarlijks meer dan 230.000 nieuwe strafzaken binnen. Ter vergelijking: in 1960 waren dit er nog maar 120.000. Deze nieuwe zaken, in de vorm van processen-verbaal, worden bij de verschillende arrondissementsparketten ingeschreven. De officier van justitie beslist daarna over de verdere afhandeling ervan. Hij kan de zaak overdragen aan een ander parket, seponeren, afdoen met een boete, samenvoegen met andere zaken (als een verdachte meer misdrijven heeft gepleegd of als bij een zaak meer personen zijn betrokken) of voorleggen aan de rechter.

Dat laatste gebeurt verhoudingsgewijs steeds meer. Het percentage zaken waarbij de officier van justitie overging tot dagvaarding is de afgelopen jaren gestegen, van 47 procent in 1997 tot 53 procent in 2001. Dat betekent dat het openbaar ministerie minder zaken zelf afdoet en meer voorlegt aan de rechter.

Als de officier van justitie oordeelt dat de zaak voor de rechter moet worden gebracht, wordt deze niet direct doorgestuurd naar de rechtbank. Dat gebeurt pas als er ook een zittingsdatum bekend is. Het openbaar ministerie en de rechtbanken maken hier van tijd tot tijd afspraken over. Omdat de zittingscapaciteit beperkt is, ligt bij het OM een voorraad zaken waarin de verdachte nog moet worden gedagvaard om voor de rechter te verschijnen. De voorraad oude zaken die al meer dan twee jaar bij het OM liggen (en daarmee de zogenaamde redelijke termijn overschrijden) is in 2001 toegenomen met 4 procent. Dit is een van de aanwijzingen dat de druk op de rechtbankcapaciteit toeneemt.