Presidentiële plaatsen

Ongehinderde toegang voor de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties tot de `Presidentiële Plaatsen' in Irak is een van de hoofdpunten van de nieuwe resolutie waarover momenteel in de Veiligheidsraad wordt onderhandeld. Het betreft acht complexen met een gezamenlijke oppervlakte van 32 km² die honderden gebouwen volgens argwanende deskundigen bomvol massa-vernietigingswapens zitten. Hierover ontstond eind 1997 en begin 1998 een grote crisis tussen de wapeninspecteurs en de Iraakse autoriteiten, die inspectie van deze plaatsen als inbreuk op de Iraakse soevereiniteit zagen. VN-secretaris-generaal Kofi Annan ging uiteindelijk zelf naar Bagdad om een oplossing te vinden. Dat mondde uit in het Memorandum of Understanding van 23 februari 1998, bevestigd in resolutie 1154 van de Veiligheidsraad, dat de inspecteurs toegang geeft, maar niet volstrekt ongehinderd.

Volgens deze nog steeds geldende afspraak zijn deze inspecties namelijk de taak van een Speciale Groep, benoemd door de secretaris-generaal in samenspraak met de chef-wapeninspecteurs en het hoofd van het Internationaal Atoomenergie Agentschap. Het Speciale van deze Groep wordt gevormd door het lidmaatschap van `senior' diplomaten die moeten waken over over de correcte toepassing van het MoU. Onder ,,specifieke gedetailleerde procedures [..] gegeven de speciale aard van de Presidentiële Plaatsen'' zoals het MoU vermeldt, dient de Iraakse regering voorts vantevoren op de hoogte te worden gesteld van het voornemen een Presidentiële Plaats te inspecteren.

De Speciale Groep bezocht de acht Presidentiële Plaatsen van 24 maart tot 4 april 1998 voor `basisonderzoek' – volgens haar verslag aan de Veiligheidsraad uitdrukkelijk niet op zoek naar verboden materiaal. Maar dat was er ook niet: ,,Het was volstrekt duidelijk dat alle plaatsen een uitgebreide evacuatie hadden ondergaan [..] Iraks verklaring was dat dergelijke maatregel waren genomen in afwachting van een militaire aanval.''