Musicaltriomf over rusthuis vol herrie

Er loopt een scheidslijn door Nederland. Wie nu 39 jaar of ouder is, heeft waarschijnlijk de televisieserie Ja zuster, nee zuster van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink bewust meegemaakt. Omdat op wat aanvullende filmpjes na de banden van de serie gewist zijn, hoort Nederland van 38 jaar en jonger tot de tweede generatie. Hoe leuk de personages, de verhaaltjes en de liedjes waren in de serie over het rusthuis vol herrie weten zij slechts uit overlevering.

Het maken van een bioscoopfilm naar de serie uit 1967 was een gevaarlijke onderneming, omdat je bij beide categorieën kijkers tegen een legende op moet boksen. Bovendien wilde producent Burny Bos (van de eerdere Schmidt-verfilmingen Abeltje en Minoes) een in Nederland zo goed als onbekend genre beproeven: de grootscheepse filmmusical, met zang, dans, een lach, een traan, verliefdheden, nederlagen, triomfen en sentiment.

In zijn tweede bioscoopfilm levert regisseur Pieter Kramer het triomfantelijke bewijs dat het hier wel degelijk kán. Alleen al de gedachte aan een Nederlandstalige pastiche op Singin' in the Rain (Samen met u onder een paraplu) bezorgt me een goed humeur, net als de openingscredits, waar dansende verpleegsters de letters JZNZ formeren en Loes Luca als zuster Klivia door een hoepel springt.

Dit is nog maar het begin. Kramer en scenarist Frank Houtappels, die ook samen de toneelbewerking van Ja zuster nee zuster voor het RO-theater (1999) schreven, hebben een even vilein als betoverend stramien bedacht voor de `production numbers' de grote muzikale spektakelscènes – in de Primulastraat. Briljant reflecteert de film bijvoorbeeld zowel de Nederlandse samenleving van 1967, met geboorte en doop van prins Willem-Alexander, `flower power', opstand tegen de regenten en medelijden met de gastarbeiders, als die van 2002. Boze buurman Boordevol is niet alleen een zuurpruim, maar ook een calculerende burger en een tegen misbruik van ónze sociale voorzieningen door buitenlanders agerende verdediger van ónze normen en waarden. En bovendien blijkt Boordevol een homo in de kast te zijn, die door een pilletje van de ingenieur uit Klivia's rusthuis de liefde ontdekt, voor kapper Wouter aan de overkant (Paul de Leeuw, met getoupeerde kuif). De grootste verrassing is dat Annie Schmidt dat al bedoeld moet hebben, want zij schreef het nu weinig aan de verbeelding overlatende liedje De jongens van de reisvereniging. Slechts een enkeling zal in 1967 de dubbele bodem van het Stekkie van de fuck-fuck-fuchsia hebben begrepen.

Ook het acteren in Ja zuster, nee zuster vormt een klein wonder. Van personages in musicals verwacht je zelden dat het mensen van vlees en bloed worden. Juist door in film zelden of nooit gebruikte, voortreffelijke toneelacteurs als Paul R. Kooij, Tjitske Reidinga en Waldemar Torenstra te verleiden tot theatrale overdrijving in de hoogste versnelling, benut Kramer hun mogelijkheden optimaal voor dit filmische antirealisme. De briesende Kooij, de van verliefdheid bibberende Reidinga, maar ook de voor de rol van de heilige Klivia in de wieg gelegde Loes Luca hadden best een nominatie voor een Gouden Kalf mogen krijgen, want hun opgave was hondsmoeilijk. De epaterende art direction van Vincent de Pater, het inventieve camerawerk van Piotr Kukla en de aanstekelijke choreografie van Suzy Blok plaatsen Ja zuster, nee zuster op het hoogste niveau van de Nederlandse films van dit jaar, ongeveer gelijk met Minoes. Maar je moet er van houden, van musicals, van overdrijving, van flirten met The Village People en andere nichtenhumor. Of Kramer er net zo'n grote hit mee zal halen als met Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium (1989), daar valt geen zinnige voorspelling over te doen. Maar ik hoorde laatst wel een kind op straat zingen dat je niet met de deuren moet slaan.

Ja zuster, nee zuster. Regie: Pieter Kramer. Met: Loes Luca, Paul R. Kooij, Tjitske Reidinga, Waldemar Torenstra, Paul de Leeuw. In: 99 bioscopen.

    • Hans Beerekamp