In het oude Stedelijk

Gedroomd van grote zwartwitfoto's van fabriekshallen en watertorens. Wie droomt er nu van zoiets?

Ik was naar het oude Stedelijk geweest, u weet wel, het roodbakstenen gebouw aan de Paulus Potterstraat in Amsterdam. Het was er prettig. Er gaat niets boven een museum dat is ontworpen om de kunst onderdak te bieden, en niet om reputaties en/of grondprijzen omhoog te stuwen.

Er is veel te zien: het Stedelijk is eigenlijk een heel ruim museum, met meer zalen dan je op je gemak in een enkel bezoek kunt bekijken. Een van de lopende tentoonstellingen heeft iets toepasselijks. Als je hem betreedt denk je even dat iemand gek is geworden. De muren van de (enorme) zaal 208a hangen vol met zwartwitfoto's, allemaal van hetzelfde formaat en in dezelfde lijsten, in groepen van negen of twaalf. Van een afstandje lijken ook de foto's op elkaar: hetzelfde licht, dezelfde grijstinten, allemaal oude gebouwen, geen mens te bekennen. Er is nog zo'n grote zaal met foto's, en daarbij wat kleinere zaaltjes. Wie naar het museum gaat om er geweest te zijn, om een blik te werpen, is hier lekker snel klaar.

Het handjevol andere bezoekers ziet iets fascinerends.

De foto's zijn gemaakt door het Duitse echtpaar Becher, Bernd en Hilla, die al veertig jaar de minst prestigieuze voortbrengselen van de bouwkunde fotograferen in West-Europa en de Verenigde Staten. Silo's en hoogovens, mijntorens en fabrieken: veel van wat zij hebben vastgelegd moet intussen verdwenen zijn. Er is niet meer zoveel mijnbouw in West-Europa, en de fabriekshallen en watertorens op de foto's maken vaak een verwaarloosde indruk. Daarmee is het werk van de Bechers een grote visuele reddingsoperatie, een poging iets te bewaren van wat de zware industrie in de loop van een of twee eeuwen heeft voortgebracht aan onooglijke bouwsels.

Wat de foto's ontroerend maakt, is dat je steeds ziet dat onooglijkheid nooit de bedoeling was. De ontwerpers hebben toch vorm gegeven, aan stijl gedaan. Bogen, ribbels, de plaatsing van een raam of deur, zij laten zien dat mensen ooit gedachten, zelfs gevoel aan deze constructies hebben besteed, al gingen die later teloor in stof en nuchtere aanpassingen.

De mooiste fabriekshal is er een in Iserlohn, van natuursteen, met Romaanse ramen en hoekpilasters. Maar zijn schoonheid krijgt geen nadruk; we moeten net zo aandachtig kijken naar fabrieken van minder fraai materiaal, waar ook iemand zijn best op heeft gedaan. Kijk maar, zeggen de Bechers, weer diezelfde boogramen, ook zo'n flauwhellend dak. En hier, van beton.

Zij fotografeerden ook woonhuizen. Geen villa's natuurlijk, maar nondescripte meergezinshuizen, oude zowel als nieuwe. Erg Duitse huizen, die nooit hadden kunnen denken dat iemand ze met zoveel zorg zou vereeuwigen. Hun portretten hangen in aandoenlijke groepjes bij elkaar, steeds een paar huizen die net een beetje verschillen, maar wel op elkaar lijken. (In Huis Marseille aan de Keizersgracht in Amsterdam, een elegant klein fotografiemuseum, zijn nog meer van die Becher-woonhuizen te vinden.)

Waarom ik ervan droomde – ach, het kan altijd toeval zijn natuurlijk. Maar het was denk ik ook opwinding, de opgetogen ontdekking van iets zeldzaams, namelijk liefdevolle aandacht voor zaken waar niemand acht op slaat. En wat nog zeldzamer is, daarbij het vermogen om er iets bijzonders van te maken. Om die nederige bouwsels, die Assepoesters recht te doen, niet voor één keer, maar voorgoed, zodat ook andere mensen zien dat zij aandacht verdienen. Dat is veel knapper dan het bedenken van het zoveelste poenige plan.

    • Ileen Montijn