Zelfs de b-groep van de LPF vormt geen eenheid

De ruzie in de LPF-fractie gaat om de invloed op de politieke koers. Dertien leden hebben een `officiële' functie in de fractie, de andere dertien niet. Wie beheert het `gedachtegoed van Fortuyn'?

De ruzie in de LPF gaat in de kern over de organisatie van de onderlinge verhoudingen in de 26-koppige fractie in de Tweede Kamer. De fractie functioneert niet democratisch, zeggen fractieleden Winny de Jong, Cor Eberhard, Jim Janssen van Raaij en interim-partijvoorzitter Ed Maas.

De verwijten komen er op neer dat het politieke overleg is beperkt tot de negen fractieleden die een functie bekleden als bestuurslid in de fractie en in mindere mate de vier Kamerleden (onder wie ex-partijleider Herben) die lid zijn van de `raad van advies'. Zij zijn aangewezen om te waken over het `gedachtegoed van Fortuyn', zoals de LPF'ers hun politieke opvattingen plegen samen te vatten.

De andere helft, waarbij de kritische Kamerleden horen, klagen dat zij belangrijke vergaderingen missen doordat zij niet op de hoogte worden gesteld, en mogen naar eigen zeggen geen agendapunten inbrengen op het wekelijkse beraad op dinsdag. Deze `b-groep' vormt geen eenheid, maar de kritiek van De Jong wordt bijvoorbeeld ook gedeeld door ex-fractieprominent Gerard van As, `lid' van de b-groep.

De ruzie over de rolverdeling is ontbrand naar aanleiding van het uitlekken, vorige week, van een interne evaluatie van het optreden van Wijnschenk als woordvoerder tijdens de algemene politieke beschouwingen. Daarin is door De Jongs persoonlijke medewerker Reinier Asberg beschreven hoe Wijnschenk zijn inbreng heeft voorbereid. De wijze waarop dat is gebeurd, illustreert zowel de bedoelde als de feitelijke werking van de fractie. Asberg werd aanvankelijk door de fractieleiding op staande voet ontslagen, en daarna door De Jong weer in dienst genomen.

De bedoeling van de LPF was dat Wijnschenk bij zijn voorbereiding zou worden bijgestaan door álle fractieleden. Bestuursleden kregen volgens de notitie verschillende functies in de `procesbegeleiding' van die voorbereiding. Zo fungeerden de beide fractie-secretarissen Palm en Eerdmans als `liaison' tussen Wijnschenk en de `ambtelijke werkgroep' die de inhoudelijke bijdragen vanaf augustus hebben voorbereid. Volgens de notitie waren ,,verschillende fractieleden'' niet op de hoogte van het bestaan van de werkgroep. De werkgroep stelde een overzicht op van ,,wat de LPF-fractie wilde bereiken, wat zij wist te verwezenlijken en wat de reactie van de overige partijen (met name linkse oppositie) hierop was.''

Volgens de notitie bestond over de positie van de werkgroep overigens onduidelijkheid. Zo bleek zij ,,niet de enige te zijn die bezig is met het produceren van een factsheet, de inner circle rond Wijnschenk blijkt hetzelfde te doen.'' De medewerkers wisten niet geheel wat van hen verwacht wordt: moesten zij de fractievoorzitter slechts voorzien van ,,krantenknipsels om zijn gelijk aan te tonen'' of van een ,,uitgeschreven verhaal?'' Tijdens het debat in de Tweede Kamer ontstond verwarring over de ondersteuning van Wijnschenk. ,,Naast Palm en Eerdmans worden Stuger en Hoogendijk ineens ook aanspreekpunten voor Harry.''

Volgens Eerdmans hebben Palm en hij meer gedaan dan alleen de communicatie onderhouden tussen Wijnschenk en de werkgroep: zij hebben ,,een tienstappenplan'' opgesteld waarin de hele voorbereiding zich moest afspelen.

In de tweede fase van de voorbereiding moesten alle fractieleden aan bod komen. Hun rol was volgens Eerdmans dat zijn allen enige passages over hun vakterrein in de Kamer moesten aanleveren voor de `speech' van Wijnschenk in de Kamer. Bestuurslid Theo de Graaf, belast met `portfoliobeleid' kreeg de taak de Kamerleden voor hun bijdragen ,,aan te sturen.'' Deze voorbereiding werd aangevuld met een fase die in de traditionele rolverdeling tussen regering en parlement zeer ongebruikelijk is: volgens de notitie kregen ook de LPF-bewindslieden ,,de mogelijkheid om relatief vroeg de input te leveren voor het LPF-verhaal.''

Uiteindelijk kwam volgens de notitie van de inbreng van de Kamerleden weinig terecht, want in werkelijkheid werd ,,het afgesproken traject in zijn geheel niet gevolgd.'' Het is het bestuurslid `politieke strategie' Ferry Hoogendijk, die vóór de `input' van de Kamerleden de toespraak al schrijft. Hij bevestigt desgevraagd ,,het raamwerk'' al te hebben klaargehad. De bewindslieden brengen nog wijzigingen aan als Wijnschenk zijn inbreng bij hen voorleest, als oefening.