Profeet

Bovenste beste Gerrie,

Wanneer ontvang ik weer eens een brief van je? In geen twee jaar vond ik een verrassingsaanval op mijn deurmat. Verpakt in een langwerpige envelop. Bedrukt met sierlijk blauw kromschrift: Gerrie Knetemann.

Ik snak naar nog meer brieven waarin je uitgebreid boeken bespreekt die je niet gelezen hebt. Vooral als het om boeken gaat die geschreven zijn door je oud-collegae. En ik snak opnieuw naar het formuleren van antwoorden, al beslaan die antwoorden niet meer dan drie regels verdeeld over twee alinea's.

Op woensdagmiddag 17 juli zat ik in een trein. Waarheen weet ik niet meer. Het zal wel de zoveelste Voyage au bout de la nuit zijn geweest. Ik had een carré voor me alleen en ik sloeg de Metro open. Ik zag mezelf geciteerd. Wat niet gek was, want Metro had me een dag eerder opgebeld met de vraag: wie wint de Tour 2002?

Kennelijk heeft Metro jou iets later geraadpleegd. Je zei `De Tour is amper halverwege. Alleen een profeet, en dat ben ik niet, kan dus nu al voorspellen wie er uiteindelijk gaat winnen. Peter Winnen kan dat al helemaal niet. Peter heeft vroeger te veel boeken van Tolstoj gelezen. Dat kan nooit goed zijn. Neemt niet weg dat ook ik in Armstrong blijf geloven.'

Wij, Gerrie, hebben dus iets gemeen: wij beiden zijn profeten gebleken.

Het lezen van de boeken van Tolstoj kan nooit goed zijn. Voor dit oordeel moet jíj de boeken van Tolstoj gelezen hebben. Maar stel nu eens dat ik nooit een letter van Tolstoj gesavoureerd heb, dan ben ik een onbezwaarde profeet en jij het tegenovergestelde. Zo somber zie ik het nu ook weer niet in. Ook jij hebt geen Tolstoj gelezen. Waaruit dan volgt: wij beiden zijn niet alleen profeten, wij zijn authentieke profeten.

In onze geanimeerde briefwisseling van twee jaar geleden sneed je het volgens jouw hachelijke onderwerp aan van de doping. Het woord `doping' vermeed je angstvallig. Je noemde het consequent `ut'. Je verzocht me vriendelijk om in verband met `ut' je naam in het vervolg in de publiciteit niet meer te noemen, een verzoek dat ik ruiterlijk heb ingewilligd.

Onlangs kreeg ik de tekst onder ogen van de peptalk die jij tegen een glorieus honorarium pleegt te houden voor een bedrijvenpubliek. Je vertelt over de dag dat je wereldkampioen werd. Over het lijden dat uitmondt in een zee van gelukstranen. Gek genoeg vertel je ook openlijk het zijn maar leken, zul je veronderstellen over processen in je lichaam die erg veel lijken op de bijwerkingen van bepaalde medicijnen die in een bepaald epoque populair waren als preparatie-armatuur. Een goede raad: Schrap die passage voor er stront van komt.

Ik blijf met je meedenken, met of zonder briefwisseling. Binnenkort ben je als bondcoach weer voor een dag de baas over de Nederlandse wielrenners op het WK te Zolder. Luisteren die belastingvluchtelingen nog wel naar je?

Hoe gaat het trouwens met je pannenkoekenrestaurant?

Je co-profeet,

P.

    • Peter Winnen