Geesink wil convenant niet tekenen

Anton Geesink, één van de vier Nederlandse leden van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), wenst vooralsnog geen convenant te ondertekenen waarin zijn positie ten opzichte van de Nederlandse sportkoepel NOC*NSF wordt vastgelegd.

Geesink wil niet verplicht worden bij elke kritische kanttekening eerst zijn drie collega-IOC-leden te raadplegen. Het convenant is een uitvloeisel van het verzoeningsgesprek dat NOC*NSF- voorzitter Hans Blankert en Geesink, onder leiding van Tweede-Kamerlid Jan Rijpstra, op 12 juli in Hoevelaken hebben gevoerd. De weergave van dat gesprek is door Rijpstra op schrift gesteld met de bedoeling dat beide partijen de gemaakte afspraken berkachtigen met een handtekening. Blankert heeft dat inmiddels gedaan, maar Geesink weigert dat vooralsnog.

Het bestuur van NOC*NSF wil dat de oud-judokampioen stopt met het te pas en te onpas uiten van kritiek op de sportkoepel en verlangt van Geesink dat hij bij geschilpunten eerst de drie andere IOC-leden, prins Willem-Alexander, Hein Verbruggen en Els van Breda-Vriesman, peilt. Volgens Geesink kan daar geen sprake van zijn, omdat het drietal, in tegenstelling tot hem, heeft afgezien van het recht om qualitate qua lid te zijn van het NOC-NSF-bestuur. Bovendien wenst Geesink onder geen beding zijn recht op vrije meningsuiting op te geven. Blankert wil echter geen concessies doen en staat erop dat Geesink alleen na overleg met de overige drie IOC-leden zijn kritiek mag spuien.

Het belangrijkste resultaat van het verzoeningsgesprek voor Geesink is zijn rehabilitatie als IOC-lid. Die was door Blankert ter discussie gesteld, nadat hij in een brief aan Rijpstra zich op onderdelen zeer kritisch had uitgelaten over het functioneren van de sportkoepel. Blankert reageerde destijds verbolgen wilde onderzoeken of Geesink niet als IOC-lid geroyeerd kon worden. Tegenover Geesink heeft Blankert die uitspraken ontkent en verklaard dat aan zijn positie als IOC-lid niet getornd zal worden. Geesink laat nu door een advocaat onderzoeken of het verslag van Rijpstra verder geen juridische belemmeringen opwerpt.

Om te voorkomen dat het vrije woord hem wordt ontnomen stelt Geesink NOC*NSF voor de gemaakte werkafspraken van 1998 te hanteren. Destijds heeft hij met het bestuur onder leiding van Huibregtsen een overeenkomst over zijn bijzondere positie gesloten. Tot ondertekening is het niet gekomen. Huibregtsen vertrok als voorzitter van NOC*NSF.

De afspraken van `98 staan wat Geesink betreft nog recht overeind. Niet voor Blankert, die daarvan tot voor kort niet eens op de hoogte was. De voorzitter wil niet teruggrijpen op het verleden, maar werken met een convenant waar hij zelf invloed op heeft kunnen uitoefenen.