Bush-doctrine verdient applaus

De nieuwe Amerikaanse veiligheidsdoctrine die voorziet in een preventieve aanval, moet consequenter worden toegepast, vindt Jackson Diehl.

Tien jaar lang hebben de internationalisten in de VS geklaagd over het ontbreken van een samenhangend buitenlands beleid na de val van het communisme. De regering-Clinton werd, evenals de ploeg van Bush sr., gehekeld omdat ze van crisis naar crisis struikelde en doorlopend verkeerd beoordeelde waar en hoe de kracht van Amerika als supermacht moest worden aangewend. Nu hebben de internationalisten eindelijk gekregen wat ze wilden – en komen er teveel verschrikte reacties.

De nationale-veiligheidsdoctrine die het Witte Huis afgelopen maand bekendmaakte, bevat in 34 pagina's alles wat aan het buitenlands beleid ontbrak. Om te beginnen erkent ze twee feiten die moeilijk te aanvaarden zijn voor een democratische en soms kortzichtige samenleving: dat Amerika een ongeëvenaarde en ongekende macht heeft in de wereld en daarom de internationale orde wel vorm móét geven; en dat het met dreigingen te maken heeft die volkomen anders zijn, maar in bepaalde opzichten gevaarlijker, dan de dreigingen uit de oude Sovjet-Unie.

De Bush-doctrine verplicht de VS om agressief op te treden, alleen of met anderen, ,,ter bevordering van een machtsevenwicht dat de vrijheid dient.'' De angst voor inmenging in het buitenland, die in de jaren negentig tot woede van de internationalisten het beleid verlamde, is uitgebannen. Het gaat niet alleen om de behartiging van de Amerikaanse belangen, maar ook om de belofte ,,overal ter wereld de hoop op democratie, ontwikkeling, vrije markten en vrije handel te brengen'' – en een strategie à la Kissinger om een machtsevenwicht te handhaven dat onmiskenbaar in het voordeel is van de VS. De ambitie is adembenemend: ,,Wij zetten ons in om dit moment van invloed te vertalen in tientallen jaren van vrede, welvaart en vrijheid.'' Met deze gedurfde en briljante synthese zou nationale-veiligheidsadviseur Condoleezza Rice best de geschiedenis kunnen ingaan als de beleidsmaker die een nieuw tijdperk heeft bepaald.

Geschokte leden van de gevestigde orde in de buitenlandse politiek noemen preventief optreden, een Blitzkrieg als remedie voor anti-Amerikanisme, een ongehoorde breuk in het beleid. De historicus Douglas Brinkley betoogde dat ,,je dan gewoon zegt: `Wij doen wat we willen als we daar zin in hebben, en we zullen iedereen de oorlog verklaren als we denken dat ze ons wel eens de oorlog zouden kunnen verklaren'.''

Beleidshervormingen roepen meestal zulke eerste reacties op. Maar Amerikaanse presidenten hebben zich altijd gewaagd aan eenzijdige en preventieve militaire acties - laatstelijk in Panama, Grenada en Haïti, en in Irak na de uitwijzing van de inspecteurs in 1998. Eigenlijk zegt het nieuwe beleid: omdat terroristen en kwaadaardige dictators inmiddels het vermogen hebben om met behulp van massavernietigingswapens de Amerikanen veel kwaad te doen en niet gemakkelijk zijn af te schrikken, kan het nodig zijn om sommigen aan te pakken voordat ze iets kunnen doen. Moeten wij stil blijven zitten als een toekomstig Al-Qaeda grote terroristische opleidingskampen in een toekomstig Afghanistan inricht? Het stuk van Rice benadert deze vraag als ,,een zaak van gezond verstand'', en dat is het ook. Ook stelt het stuk verstandig dat preventief optreden niet het antwoord is op alle dreigingen en vooralsnog is het in elk geval niet de wettelijke grondslag voor de campagne van het Witte Huis tegen Irak.

Dat Colin Powell nu overlegt over een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad, laat de zwakte van de Bush-doctrine zien niet dat die te radicaal is, maar dat ze de politieke kracht ontbeert om een eind te maken aan tientallen jaren van vastgeroest denken en ambtelijke inertie. Het zijn niet alleen vooruitstrevende academici die de nieuwe doctrine niet onderschrijven. Binnen de regering is moeilijk iemand te vinden die er van a tot z achterstaat. Sommigen zijn voor de eenzijdige aanval, anderen voor de opbouw van een democratische staat – en niemand krijgt helemaal zijn zin. Ondanks alle noodkreten volgt het buitenlands beleid, als het niet volledig wordt verlamd door onderling gehakketak, in de praktijk meestal de oude normen.

George Kennans theorie van de indamming wist uiteindelijk de tegenstanders van rechts en links te overtuigen en werd zo de eensgezinde doctrine van de Koude Oorlog. Zal Rice net zoveel geluk hebben? Tot dusver is preventieve actie niet meer dan een beangstigende term die wordt gebruikt om de Verenigde Naties te motiveren. Intussen is de kern van de doctrine het denkbeeld dat de Amerikaanse kracht moet worden aangewend om overal ter wereld vrijheid te verspreiden nog nauwelijks erkend door een beleidsapparaat dat in het Midden-Oosten en Azië oude en nieuwe autocratische bondgenoten blijft cultiveren.

Jackson Diehl schrijft commentaren voor de Washington Post.

© LAT-WP Newsservice