Beneš-decreten zijn geen obstakel

De decreten op basis waarvan in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog Sudeten-Duitsers en Hongaren in Tsjechoslowakije werden onteigend en verjaagd vormen formeel geen beletsel voor toetreding van Tsjechië en Slowakije tot de Europese Unie.

Dit concludeert de Duitse staatsrechtsexpert Jochen Frowein in een rapport dat gisteren verscheen en dat hij opstelde op verzoek van de buitenlandcommissie van het Europees Parlement. Zijn rapport is een belangrijke steun in de rug voor de Tsjechische regering, die zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de decreten zijn `vervlogen', maar niet kunnen worden herroepen omdat ze deel uitmaken van de nationale rechtsorde. Daarentegen is door vertegenwoordigers van de Sudenten-Duitsers met teleurstelling kennisgenomen van Froweins rapport.

Problematisch is volgens Frowein wel het amnestie-decreet uit 1946, nummer 115, op grond waarvan misdaden begaan gedurende de deportaties ongestraft bleven en dat nog steeds van kracht is. Intrekking van dit decreet is volgens Frowein met het oog op de EU-toetreding weliswaar ,,niet dwingend noodzakelijk'', maar hij acht het wel ,,gepast'' wanneer expliciet spijt wordt betuigd over de specifieke gevolgen van dit decreet, zoals Duitsland en Tsjechië in 1997 in een verklaring deden.

De `Beneš-decreten' werden kort na de Tweede Wereldoorlog uitgevaardigd door de toenmalige Tsjechoslowaakse president Edvard Beneš. Op basis van de decreten werden – met instemming van de geallieerden – bijna drie miljoen Sudeten-Duitsers en Hongaren op brute wijze het land uitgezet. Rond 30.000 mensen kwamen daarbij om het leven.

De naderende toetreding van Tsjechië en Slowakije tot de Europese Unie was voor de (nazaten van de verdreven) Sudeten-Duitsers in de buurlanden Duitsland en Oostenrijk aanleiding opnieuw aan te dringen op intrekking van de decreten. Het zou de weg vrijmaken voor schadeclaims en terugvorderingen van destijds geconfisqueerde bezittingen.

De Sudeten-Duitsers vinden dat de Europese Unie intrekking van decreten moet eisen voor toetreding van Tsjechië en Slowakije tot de EU. Hun pleidooi vond gehoor bij verscheidene politici in Duitsland (kanselierskandidaat Edmund Stoiber), en Oostenrijk (rechts-radicaal Jörg Haider), alsmede in het Europees Parlement, dat besloot extern advies in te winnen. De reacties van vooral de toenmalige Tsjechische premier Zeman in de kwestie belastten tot voor kort de relaties tussen Praag en Berlijn.

Het Europees Parlement heeft behalve aan Frowein ook aan de Zweedse jurist Ulf Bernitz en diens Britse collega Christopher Prout de vraag voorgelegd of de Beneš-decreten botsen met de Europese wetgeving. Hun rapportages zijn nog niet beschikbaar.