Gidsrol voor Nederland is bepaald niet wenselijk

De rol die Nederland kan claimen op het gebied van veiligheid en defensie is een afspiegeling van haar militaire vermogen en haar internationale reputatie. Die nopen tot bescheidenheid, meent Ingo Piepers.

`Nederland moet gidsrol in de wereld terugwinnen' stond boven het artikel waarin David C. Gompert en Rob de Wijk pleitten voor een debat over de Nederlandse ambities op het gebied van veiligheid en defensie. Het gebrek aan visie van het kabinet-Balkenende en de daaruit voortvloeiende inconsistenties op deze beleidsterreinen zijn evident. De auteurs noemen een aantal treffende voorbeelden, maar hun betoog bevat een aantal strijdigheden.

De constatering dat Nederland zijn gidsrol in de wereld zou moeten terugwinnen getuigt van weinig realiteitszin: Nederland heeft een dergelijke gidsrol op deze beleidsterreinen nooit gehad en zal die ook nooit krijgen. De rol die Nederland kan claimen op het gebied van veiligheid en defensie is in belangrijke mate een afspiegeling van zijn militaire vermogen en internationale reputatie. Dit betekent dat bescheidenheid Nederland zou sieren, gidsrolpretenties zullen slechts leiden tot diskwalificatie.

Een dergelijke doelstelling van Gompert en De Wijk, waarbij een exclusieve rol voor een enkel land, in dit geval Nederland, wordt geclaimd, is typerend voor het denken in en over het `oude' Europa, een denkwijze waarin rivaliteit en nationale belangen altijd centraal stonden. Nederland zou juist vanuit een heldere definiëring van Europese belangen en bedreigingen de discussie over de formulering van een Europees veiligheids- en defensiebeleid moeten stimuleren.

De voorgestelde profilering op basis van nationale ambities zal de ontwikkeling van een Europese identiteit op deze beleidsterreinen juist in de weg staan. Een dergelijke identiteit is voor Europa cruciaal om de gidsrol te kunnen beïnvloeden die de VS op basis van hun economische, militaire en technologische suprematie claimen. De betekenis van Europa voor de VS is na beëindiging van de Koude Oorlog en de oorlog tegen het terrorisme minder centraal geworden, maar het omgekeerde is niet het geval. Dit vraagt om gecoördineerde actie van Europa. Mocht Europa niet in staat zijn een eigen identiteit te ontwikkelen, dan resteert slechts een bijrol, die afbreuk zal doen aan Europese belangen.

Terecht stellen Gompert en De Wijk dat door middel van taakspecialisatie van Europese landen het militair vermogen van Europa kan worden vergroot. Dit zou, onder meer gelet op de ligging van Nederland, tot de voor de hand liggende conclusie moeten leiden dat de huidige samenwerking met de Royal Navy verder wordt geïntensiveerd. Gompert en De Wijk komen in hun aanbevelingen over de ontwikkeling van de Nederlandse krijgsmacht niet verder dan een taakverdeling tussen de krijgsmachtdelen op basis van het huidige `zuilendenken', waarbij bovendien het aanzienlijke en zeer bruikbaar gebleken expeditionaire vermogen van het Korps Mariniers over het hoofd wordt gezien.

Bovendien is dit zuilendenken en de voorgestelde taakverdeling tussen de krijgsmachtdelen van de auteurs strijdig met de filosofie die ten grondslag ligt aan de in het artikel genoemde en gepropageerde network centric warfare doctrine. Ondersteund door informatie- en communicatietechnologie worden volgens deze doctrine op flexibele wijze militaire capaciteiten (tijdelijk) gekoppeld en ingezet. ICT-technologie is echter niet genoeg voor een succesvolle toepassing van deze doctrine, ook intensieve samenwerking en creatief denken zijn vereist. De auteurs hebben helaas niet de link gelegd tussen de mogelijkheden die deze doctrine kan bieden en een logische taakverdeling tussen de krijgsmachtdelen.

Uitgangspunt voor de organisatie en inzet van de Nederlandse krijgsmacht dient het Europese veiligheids- en defensiebeleid te zijn. Het Nederlandse veiligheidsbeleid dient gericht te zijn op de versterking van het militaire vermogen van Europa. Taakspecialisatie in Europees en NAVO-verband is daarvoor noodzakelijk. Hierbij zou Europa zich, complementair aan de rol van de VS in de wereld, bijvoorbeeld ook kunnen concentreren op de rol van nation builder. De Nederlandse krijgsmacht moet in ieder geval haar capaciteit voor expeditionaire oorlogvoering, haar vermogen om in Europees en NAVO-verband wereldwijd onder uiteenlopende omstandigheden te kunnen opereren, verder vergroten. Verdieping en intensivering van de samenwerking tussen de Nederlandse krijgsmachtdelen dragen hieraan bij.

Door een vergroting van de uitwisselbaarheid van mensen en middelen met daaraan gekoppeld een herinrichting van de Nederlandse bevelsverhoudingen, kan meer met minder worden bereikt en kunnen bovendien unieke capaciteiten worden geformeerd. Een fundamenteel debat over de Nederlandse ambities op het gebied van veiligheids- en defensiebeleid is inderdaad hoogstnoodzakelijk. Realiteitszin en creativiteit zijn daarbij vereist, niet alleen met, maar vooral vanuit een internationale visie, en dat over de grenzen van de krijgsmachtdelen heen.

Drs. I. Piepers is bedrijfskundige en gespecialiseerd in defensievraagstukken.