Losse flodder

Ministers die met ideetjes van twee alinea's komen in plaats van met vuistdikke nota's zijn verzekerd van aandacht. Het publiek begrijpt onmiddellijk wat de gedachte is en kan gemakkelijk meepraten. Proefballonnetjes doen in zekere zin meer voor de politieke betrokkenheid dan de zoveelste Nota Ruimtelijke Ordening, waarbij de burger op pagina 20 al in slaap is gesukkeld, voor zover hij het werkstuk überhaupt heeft opengeslagen. Discussiëren is altijd nuttig, al moet zo'n losse flodder als startschot wel enigszins met de maatschappelijke werkelijkheid in verband staan, anders slaat de discussie nergens op.

Volslagen wereldvreemd is bijvoorbeeld het ideetje van Heinsbroek om bejaardenzorg en crèches te combineren onder het motto `zo snijdt het mes aan twee kanten'. De tekorten in de kinderopvang kunnen worden bestreden met de inzet van oudjes, die mentaal opknappen door het contact met kleintjes; in een moeite door kan de oudere garde de jeugd enige broodnodige waarden en normen bijbrengen.

Zou de minister wel eens een crèche van binnen hebben gezien? Ik kan het me niet voorstellen, want dan zou hij weten dat het er daar behoorlijk geformaliseerd aan toe gaat. Ouders komen hun kind brengen en er vindt een soort overdracht plaats. Ze vertellen bijvoorbeeld dat het kind een slechte nacht heeft gehad, dus misschien extra behoefte heeft aan slaap, dat-ie tandjes krijgt of verkouden is. In zo'n crèchegroep zitten altijd kinderen met allergieën, met speciale dieët-aanwijzingen of medicijngebruik, waar de leidsters van op de hoogte moeten zijn. Elk kind vereist in meer of mindere mate een persoonlijke benadering en die kan paradoxaal genoeg alleen plaatsvinden als de dagindeling duidelijk gestructureerd is. Als een kind geen pindakaas mag, dan moet je ervoor zorgen dat alle kinderen tegelijk op een vast tijdstip aan tafel gaan zitten voor de `eetmomenten', waarbij de leidster erop toeziet wie er wat op z'n bordje krijgt.

In een crèche draait alles om verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Buiten spelen is geweldig (elke ouder wil dat z'n kind buiten komt), maar dan wel in een omheinde omgeving onder zwaar toezicht. We willen niet dat de kinderen elkaar mishandelen of dat ze een schommel tegen hun kop krijgen. Twee leidsters voor een groep van tien of twaalf krioelende peuters hebben een slopende titanenklus, vooral omdat voortdurende alertheid is geboden om ongelukjes af te wenden.

Als zo'n groep in de recreatieruimte van een bejaardentehuis wordt losgelaten, barst het onheil pas goed los. Na tien minuten voorlezen houdt de peuter het voor gezien, brandt zich aan de hete koffie die de bejaarde nog niet op had, begint met een willekeurige rolstoel door de zaal te karren, zet de televisie aan en steekt een blad van de vetplant in z'n mond. Wie is er hier verantwoordelijk?

En bovendien, waar zíjn die bejaardentehuizen, waar de oudjes zo gezellig bij elkaar zitten en smachten naar het getrippel van kindervoetjes als welkome onderbreking van hun spelletjes klaverjas? Die bestaan helemaal niet. Wie nog een beetje zelfstandig uit de voeten kan, klampt zich vast aan zijn eigen huis, waar met behulp van tafeltje-dekje en de thuiszorg de onafhankelijkheid zo lang mogelijk in stand gehouden wordt. Bejaardentehuizen heten tegenwoordig verzorgingstehuizen en worden bevolkt door tachtigers en negentigers die een geestelijk en/of fysiek hulpbehoevend bestaan leiden. Die moet je geen baby's en peuters op hun dak sturen.

Kwieke zeventigers wijden zich aan hun eigen kleinkinderen en aan hun eigen zelfgekozen vrijwilligerswerk. Zo zit het individualisme in elkaar. Daar helpt geen proefballonnetje tegen en overigens ook geen Nota Waarden & Normen, Deel 1.