De waarde van geestelijk kapitaal

Het normen- en waardendebat dat Nederland nu zo in zijn greep heeft, is helemaal geen debat. Het is een roep om disciplinering, overgoten met een sausje van moraal. Een groot deel van Nederland heeft genoeg van een heleboel dingen. Die dingen doen af aan de efficiency en de kwaliteit van ons bestaan, moeten daarom uit het zicht verdwijnen, en wel nu meteen, of het nu om snelheidsmaniakken, wildplassers of illegalen gaat. De discussie draait vooral om de vraag hoe radicaal de disciplinering moet zijn zero tolerance – of toch een onsje minder – moet je een heer of een Heinsbroek zijn in het verkeer.

Zowel de discussie zelf als de manier waarop die gevoerd wordt, komen voort uit iets fundamentelers. De verloedering van normen en waarden is gevolg van de verloedering van ons denken. We kampen met de gevolgen van het eenzijdig economisch denken dat onder Paars tot norm is verheven en dat deze regering onverdroten voortzet. De kabinetsplannen sollicitatieplicht voor ouderen, bezuinigingen in het hoger onderwijs staan opnieuw in het teken van verdere economisering van het leven.

Dat de regering-Balkenende niets anders is dan de voortzetting van Paars met andere middelen, bleek onder meer afgelopen dinsdag uit de manier waarop de recessie werd aangekondigd: in graftonen en met oorwurmgezichten, alsof er in plaats van loonmatiging een hongerwinter op komst is. Wie ook maar even over de grenzen van Europa kijkt, beseft dat Nederland voorlopig echt nog wel door kan zwemmen in het geld. Met het materiële kapitaal is niets alarmerends aan de hand. Het is het geestelijk kapitaal dat onze aandacht verdient.

Nederland is aan het verplatten, constateerde acteur Ramsey Nasr vorige week op deze pagina in een stuk over het kunstklimaat. Het kennisniveau daalt, schreef hij, en daarmee onze interesse in kunst. Ons besef van culturele wortels is verminderd, schreef eerder al cultuureconoom Arjo Klamer, en hij gebruikte de term cultureel kapitaal. Maar behalve van cultuur is dit een kwestie van ons denken en onze mentaliteit. Ons denken is eenzijdig en daarom star geworden, als gevolg daarvan is onze mentaliteit verhard. Het gaat om een verschraling van ons geestelijk kapitaal.

Er nemen in onze hoofden een paar vaardigheden af die we niet kunnen missen, willen we op een volwassen manier met elkaar samenleven: onze vermogens tot argumentatie, inleving en relativering bijvoorbeeld. En op den duur zal de uitholling van onderwijs, vooral in literatuur en geschiedenis, en de publieke schoffering van wat ingewikkeld, ernstig, of niet direct voor iedereen toegankelijk is, ook gevolgen hebben voor onze eigenheid, onze verbeeldingskracht en ons vermogen tot onafhankelijk denken.

De gevolgen merken we al. Beroepen waarvoor hoogwaardige kennis of groot empathisch vermogen nodig zijn, in de technologie of de verpleging, zijn niet langer in trek. Op straat en in discussieprogramma's op televisie geldt ratio als dubbelhartig, emotie als waar, terwijl emoties juist bij uitstek bedrieglijk kunnen zijn. Eenvormigheid dreigt een norm te worden. In identieke stadscentra belijden we onze nationale winkelhobby, en ook verder hebben we een grote behoefte aan passief, massaal en voorgeprogrammeerd vermaak, of dat nu filmfestivals of pretparken betreft. We kunnen niet meer wachten. We mopperen allemaal en hebben allemaal lange tenen.

Ondertussen leidt onze welvaart tot geen andere vraag dan hoe onze welvaart te vergroten. Onder regerende politici is de vuist op tafel in de mode, wikken, wegen en het tonen van compassie niet. En de oppositie, zij zoekt voort. Naar een manier om anders dan op punten kritiek te leveren, naar een duidelijk tegenwicht voor de verharding van het klimaat.

Economisch denken is: pragmatisch denken. Zo'n manier van denken is nuttig en lonend en kan creatief zijn, maar is ook conformistisch en ongeduldig, gericht op enkel efficiency en persoonlijke bevrediging, en daarom geneigd tot egocentrisme en berekening.

Er moet dus ook iets anders zijn. Landen en mensen kunnen niet zonder geestelijk kapitaal, het geheel van kennis, culturele bagage en het vermogen op een open manier te denken. Zulk denken gaat niet uit van eigenbelang, maar concentreert zich juist op empathie. Het probeert de eigen positie in een groter verband te zien, zonder meteen in termen van voorsprong of achterstand te vervallen. Het kan relativeren en het heeft geduld met zaken die geduld verdienen. Het bedient zich van argumenten in plaats van imago en is in staat zich los te maken van de waan van de dag.

Aan zulk denken zijn normen en waarden inherent. Alleen al daarom is het onmisbaar in een beschaving die dat woord ook echt verdient.

Misschien moeten leraren, universitair docenten, kunstenaars en politici doen zoals Nasr: zich engageren met het denken en openlijk wijzen op de waarde van geestelijk kapitaal, in de hoop dat het debat zich in die richting uitbreidt. Waaruit bestaat ons geestelijk kapitaal op dit moment? Waaruit zou het moeten bestaan? Wat moet er eigenlijk in onze hoofden zitten, willen we goed met anderen kunnen samenleven? En wat stoppen we in de hoofden van onze kinderen?

Ik geef toe, dit klinkt allemaal idealistisch en hooggestemd, en hooggestemdheid is momenteel ook al helemaal uit de mode. Een sexy verkiezingsslogan maak je met een begrip als geestelijk kapitaal evenmin. Maar misschien is het voor hooggestemdheid juist wel weer tijd. Toen onze nieuwe staatssecretaris van Cultuur, Cees van Leeuwen, in het tv-programma Propaganda werd gevraagd welke rol kunst en cultuur in de samenleving moeten spelen, antwoordde hij: kunst is een smeermiddel. Als zelfs kunst in termen van auto's gedefinieerd wordt, is er dunkt mij dringend behoefte aan wat inspiratie. En nieuwe bevlogenheid kan een mooi antwoord zijn op nieuwe platheid.

Maartje Somers is medewerkster van NRC Handelsblad.