Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Horror rorror razer raar

De dichter Lucebert overtreft alle andere dichters. Maar het vergt wel moed om je oren voor hem te openen. Dan hoor je sensatie van de bevrijding, de retorica van de urgentie en meer. Ilja Leonard Pfeijffer herlas de nu verzamelde gedichten en herinnert zich hoe Lucebert zijn redding werd.

Niet iedereen beseft het nu nog, maar over een jaartje of tien zal niemand er meer aan twijfelen: Lucebert is, samen met Vondel, de grootste dichter die de Nederlandse taal ooit heeft gekend. Ik beschouw hem als mijn leermeester. Hij heeft dat nooit geweten. Hij was al dood toen ik bij hem in de leer trad. En ik studeer nog steeds. Tot op de dag van vandaag is Lucebert de dichter die meer dan wie dan ook in staat is mij op momenten van miezer en mismoedige twijfel op de juiste toon toe te spreken om mij te laten horen hoe het ook kan en hoe het moet en hoe woorden moeten klinken en hoe leven dient te dansen in je verzen en hoe het dient te dansen van plezier. Ik geloof dat het ook wel aan mijn gedichten te zien is, dat ik van hem probeer te leren. Ik vind dat niet erg. Integendeel. Ik ben er trots op als dat zo is.

Maar wat dan? Wat probeer ik van hem te leren? Wat is zo uitzonderlijk en zo uitzonderlijk goed aan de poëzie van Lucebert dat hij alle anderen met lichtvoetige vanzelfsprekendheid vrolijk fluitend verre overtreft? Wat is zijn geheim? Weinig dingen zijn moeilijker dan analyseren wat je bewondert. Maar ik wil het proberen. Vandaag zal ik mijzelf vierentwintig honderd woorden gunnen voor een poging te achterhalen wat het wonder is van dit wonderlijk en wonderschoon oeuvre. Ik weet niet of het gaat lukken.

Soms word ik geïnterviewd. Vroeg of laat komt dan de vraag: `Wanneer ben je begonnen te dichten?' Je kunt erop wachten. Ik geef telkens een ander antwoord. Ik zal nu voor het eerst het ware antwoord geven: op 1 mei 1984 rond vier uur 's middags. Toen schreef ik mijn eerste gedicht, het heette `Huis' en het was slecht, maar dat wist ik toen nog niet. In de jaren die daarop volgden heb ik enige honderden gedichten geschreven die ook allemaal slecht waren en de ellende was dat ik dat langzamerhand begon te beseffen. Toen wist ik niet meer hoe het verder moest en een paar jaar lang heb ik niets geschreven en dat deed mij verdriet want ik wilde schrijven. Lucebert heeft mij gered. Zijn poëzie was mijn bevrijding. Opeens besefte ik dat ik al die jaren bezig was geweest dichter te worden in plaats van te dichten. Ik wilde erbij horen en probeerde met dat doel te schrijven wat leek op wat er al was. Alles wat raar en wild was aan mijn poëzie had ik gesnoeid en weggeknipt, want echte dichters deden ook niet raar en wild. En toen las ik Lucebert en toen vielen mij de schellen van de ogen. Hij was nog veel raarder en wilder dan ik in mijn wildste dromen voor ogen had gehad. Zo kon het dus ook. Dat mocht. Zo leuk kon het zijn. De vreemdgevormde, grillige takken en bizarre bloemen die groeien op de wortels van de taal moest je niet snoeien, je moest ze juist koesteren en cultiveren en met gulle hand bemesten om ze nog grilliger en onweerstaanbaar wilder te laten voortwoekeren. Toen Lucebert mij had laten horen dat je zo kon spreken, had ik een stem gevonden en kon ik alles zeggen.

Deze ervaring van bevrijding biedt Luceberts poëzie aan elke lezer die de moed heeft zijn oren voor haar te openen. Ik denk dat dit haar eerste en belangrijkste geheim is. Die ervaring moet de sensatie geweest zijn die in het begin van de jaren vijftig, toen hij debuteerde, elektrisch tintelend begon rond te zingen in de muffe woonwijken van versuft Nederland dat tot dan toe had geloofd in God, het koningshuis en Bertus Aafjes. In plaats van dit: `Meestal vredig van gemoed / soms een hart dat plotsling bloedt' klonk er opeens dit: `ik ben de trage ben de driftige / gejaagde of bedauwde mijlpaal / niet maal ik om rijkdom maar ijl / van gulzigheids wartaal.' In plaats van `Want men moet nooit te lang verwijlen / In den warmen schoot van 't geluk: / De schoonste illusies verijlen / Onder een voortdurenden druk' opeens zulke dingen: `dan vliegt (foei) 1 negerschedel door het raam / de tondeuze doezelt aan zijn naam / horror rorror razer raar'. Maar nu nog steeds, ook nu nog! En ook over honderd jaar nog immer onverminderd, daar ben ik zeker van. `Verwarring danst door de ramen / verwarring roept in de straat.' Als je Lucebert leest, breken de taal en de wereld feestelijk open en zweef je een baldadig bandeloos universum binnen van beelden, klank en muziek waarin alles voor het eerst gezegd kan worden en waar geen einde komt aan de eindeloze mogelijkheden om te verwarren en vrolijk te bruuskeren.

Maar nu moet ik proberen concreter te worden. Hoe doet-ie het nou? Hoe bereikt Lucebert deze sensatie van bevrijding? Wat zijn de technische middelen?

Om te beginnen zijn er veel gedichten die gaan over opstand en opstandigheid. Lucebert beschouwde het als zijn plicht te breken. Met alles. `Een mond is muiten'. Poëzie moest voor alles anders worden. `Een slopende stem te geven aan het gehoor / dat al genoeg gehoord heeft', `hier is ontregelen huisregel'. Want:

hier moet iets veranderen een heroriëntatie-

cursus is geboden sursum corda

bruusk werd babylon afgebroken

niet met liefde geduld of met gratie

al springen de tranen in je ogen je moet

chicaneren wil je iets betekenen

je zult charismatisch moeten lullen nee

schreeuwen lik op stuk tegen een stuk

algehele algemene lulligheid

wie niets meer voelt

moet maar weer eens horen

Als je de dingen zo ziet kun je niet meer aankomen met lieflijke sonnetten uit de `school der poëzie', met `mijmerijen bij maneschijn'.

de schoonheid van een meisje

of de kracht van water en aarde

zo onopvallend mogelijk beschrijven

dat doen de zwanen

De verleiding is groot het historisch geworden gedicht `verdediging van de 50-ers' in zijn geheel te citeren, waarin Lucebert de letterdames en letterheren onder de neus wrijft waar het hem en de zijnen om is te doen: `de blote kont der kunst te kussen onder uw sonnetten en balladen', het `vuil uit de naden der zekerheden schreeuwen':

alleen weet, vredig nederland, ik en mijn

kameraden,

wij houden de muze als paraplu in onze

broeken

en zoeken ons dekadentenlot in het record: te braden,

volledig bruin te braden in de genaden van zwelgen en vervloeken

Op bruuske wijze breken met alles wat voor waardevol doorgaat heeft natuurlijk altijd een zekere charme. Breken met de bloedeloze verzen waarin de traditiegebonden poëzie in Nederland in de jaren vijftig dreigde te ontaarden was zelfs bittere noodzaak. Men hoeft zich slechts het schrikbeeld van Bertus Aafjes voor de geest te halen om dit te beseffen.

Dat deze revolutionaire gezindheid in het geval van Lucebert revolutionaire poëzie heeft opgeleverd is uiteraard nauwelijks te danken aan deze revolutionaire gezindheid. De werkelijke revolutie die Lucebert teweeg heeft gebracht is te danken aan de vorm die hij voor zijn gedichten koos. Zelfs de taal is niet meer heilig. Alles wordt ondergeschikt gemaakt aan de noodzaak van het moment. Er wordt geen enkele concessie gedaan aan het begrip van een eventuele lezer. Zeldzame, evocatieve woorden worden gekozen. Vaste woordcombinaties worden gemeden als de vliegende builenpest. De normale syntaxis van het Nederlands is niet belangrijk meer. Woord voor woord zal de lezer worden gefrappeerd en geschokt.

Woord voor woord. Daar gaat het om. De kleinste bouwsteen van het Nederlandse gedicht is altijd de versregel geweest. Dichters schreven verzen en een goed gedicht was een geslaagde combinatie van een aantal verzen. Lucebert heeft het vers als atoom van het gedicht weten te splijten en na de explosie die hiermee gepaard ging was het mogelijk gedichten op te bouwen uit de wervelende quasars der afzonderlijke woorden. Er is een fundamenteel verschil tussen een versregel als `ik ging naar Bommel om de brug te zien' en een vers als `nu na twee volle ogen vlammen'. De kernsplitsing van het vers en de onvoorspelbare energie die daarbij is vrijgekomen, daarmee heeft Lucebert de taal bevrijd.

Daarbij komt nog dat de afzonderlijke woorden waaruit Lucebert zijn gedichten opbouwt bijzondere woorden zijn. Ik geloof dat het Kees Fens was die een keer heeft gezegd dat er geen dichters met een rijkere woordenschat zijn dan Lucebert en Vondel. Ik heb het niet nageteld, maar het is ongetwijfeld waar. De taal van Lucebert is gul. En wat nog belangrijker is, Lucebert is gul voor de taal. Niet alleen begiftigt hij de taal met onvergetelijke woordcombinaties als de `meepse barg', hij biedt een vorm van taalrijkdom die de taal zelf reanimeert. Als heer Horror bij de kapper zit en niet weet wat hem overkomt, zegt Lucebert dat zo: `heer horror weet niet wat hem overkamt'. Maar ook de gewoonste woorden wordt nieuw leven ingeblazen:

het is zwieren met de sletpop van de rotzak

stampen en zweten onder de guirlanden en je handen

in het voorbijgaan afvegen aan de

voorbijdansende

smeerlap adeltuit heer van stonken en ronken

Het woord `smeerlap' krijgt opeens zijn oorspronkelijke vettige voddigheid terug. Lucebert bevrijdt het woord van zijn eendimensionale onopmerkelijkheid door het opnieuw op te laden met zijn oude betekenis.

Lucebert leert ons weer langzaam te lezen. Hij laat ons niet soepeltjes over lenige verzen glijden, maar dwingt ons te strompelen van woord naar nieuw geladen woord, terwijl hij ons het houvast van interpunctie ontneemt. En daarbij doet hij zijn uiterste best ons zo veel mogelijk te ontregelen. In zijn verfrissende studie De verstoorde lezer. Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert (Vantilt 2001) geeft Thomas Vaessens een overzicht van de verschillende vuile trucjes die Lucebert hanteert om onze gewone leeshouding te ontwrichten. Hij noemt met name de intertekstuele vervaging (zoals zijn voetnoot bij een gedicht: `het tegenovergestelde van zimzoum [zie zohar]'), improvisatie (`een gewoon drinkende dichter [....] een uit gewoonte drinkende dichter / een gewoonte die dichters opdringt / een opdringende dichter uit gewoonte / een gewoonte die de dichter verdrinkt'), het obscurantisme van de minimale betekenis (`tellby toech tarra / inna nip / inna nip / tarra toech tellby') en de ironie (`met vaste hand / het schone ideaal / nogmaals ingezeept / gewassen en geschoren'). Ook dit is bevrijding. Door ons lezen te ontregelen bevrijdt Lucebert ons van onze vaste patronen en leert hij ons te lezen zoals wij nog nooit eerder hebben gelezen.

En met lezen is nog niet alles gezegd. De poëzie van Lucebert is geen papieren leespoëzie, zijn taal borrelt in je buik en brandt in je keel en is gemaakt om lucht te laten trillen in zindering. De woorden klotsen en botsen op elkaar en zijn verzen zingen van klank en dansen van ritme. Door de taal te bevrijden van de stugge kaders van de syntaxis, door de woorden te bevrijden van hun afgesleten betekenissen en door met nieuwe oren te laten horen, geeft hij de taal haar zintuiglijkheid terug. Zijn taal is zintuigelijk omdat hij de dingen niet zegt, maar laat zien, horen, proeven en voelen: `al sloegen zij de handen tot taarten / van vlees en bloed op tafel na tafel / bleek bleef de zon en de wijn was al zuur'. Maar zijn taal is ook zintuiglijk op een ander, hoger niveau. Niet alleen wat hij zegt raakt ons via onze zintuigen en niet via ons intellect, ook hoe hij het zegt. De taal zelf wordt onder zijn handen geen vehikel van gedachten, maar grillige, weerbarstige, voelbare substantie. `Grauwe bliksem verblindt de bekkentrekker van de laster / alle zaailingen zijn bij het kiemen verzand.' Je gaat zelf bekken trekken als je het leest, want je mond wil de woorden en klanken proeven en spugen. Het is taal om op te kauwen. En daarmee is de taal bevrijd van haar papieren, intellectuele functionalisme: zij kan weer genoten worden omwille van haar eigen, zelfgenoegzame mondigheid.

En dan is er ook nog die frappante ernst. Of eigenlijk is ernst helemaal het verkeerde woord. Ik weet eigenlijk niet wat wel het goede woord is. Wat ik bedoel is het volgende. Luceberts poëzie is licht, lichtvoetig en vrolijk. Hij is grappig en ironisch. Maar op een wonderbaarlijke manier gaat deze lichtvoetigheid gepaard met een onvoorstelbare urgentie. We worden ontregeld en horen een taal die wij nog nooit eerder hebben gehoord, wij begrijpen niet wat er wordt gezegd, maar één ding is duidelijk: wat er wordt gezegd is ontzettend onvoorstelbaar belangrijk. Lucebert is een profeet die overdonderend balkt en orakelt en die met bloedende stem een boodschap verkondigt ten overstaan van de in verbijstering verzamelde volkeren en er kan geen moment aan worden getwijfeld dat deze boodschap van levensbelang is, ook al kunnen de onwetend en openmondig luisterenden haar niet bevatten. Zijn stem is onontkoombaar. Hij sleurt je aan je lurven zijn gedicht in en houdt je onwrikbaar vastgeklemd in zijn kladdenklem om je pas los te laten wanneer hij klaar is met zeggen. Dit bewonder ik mateloos. Deze retorica van urgentie is misschien wel zijn grootste geheim. Ik wou dat ik wist hoe hij het doet. Maar neem nou het gedicht dat zo begint:

oh dolorosa wat was leek zo goed

oh dolorosa wat was was niet goed

Het lijkt simpel. Bedriegelijk simpel. Maar intussen werkt het wel. Na deze twee verzen zijn wij gevangen en er is aan het gedicht geen ontsnappen meer mogelijk. Misschien komt het doordat een adressaat wordt aangesproken, waardoor de lezer zich aangesproken voelt, want een lezer identificeert zich altijd met elke adressaat die wordt aangesproken. Misschien komt het door die bedriegelijk simpele woordherhalingen die de verzen iets onontkoombaar vanzelfsprekends geven. Of misschien komt het wel doordat Lucebert niet bang is. Hij heeft de moed de pathetiek van deze opening te overdrijven. Hij schrikt er niet voor terug om de geliefde die verdriet heeft en veroorzaakt aan te spreken als `dolorosa' en om er nog een schep bovenop te doen door die naam vooraan het vers te zetten en om er nog een schep bovenop te doen door dat tot twee keer toe te doen en om er nog een schep bovenop te doen door de aanspreking te vergezellen van `oh' en om er nog een schep bovenop te doen door dat tot twee keer toe te doen. Maar hoe hij het ook doet, met deze opening houdt hij ons de volle dertig verzen die dit gedicht duurt in een wurggreep, totdat hij afsluit met het bloedmooie, pijnlijk wrange vers:

oh dolorosa nu zwijgen is lijfstraf

En wij voelen de pijn van deze lijfstraf, want de dichter moet nu zwijgen, het is het einde van het gedicht. Dit is goed dichten. Dit is gewoon jaloersmakend beregoed dichten.

Lucebert: verzamelde gedichten. De Bezige Bij, 912 blz. (geïll.), €49,50