De mens is de mens een zacht knuffeldier

Agressie en egoïsme zijn verankerd in de mens, daar zijn veel wetenschappers het over eens. Shelley Taylor betoogt juist dat de mens van nature ook tot goedheid geneigd is: meer liefde helpt beter dan meer eten.

Een onderzoeker werft een groep gezonde vrijwilligers en betaalt een hoop geld om met een met griep- of verkoudheidsvirussen doordrenkt watje in hun neus te mogen wrijven. Wie worden er ziek? De mensen die de minste sociale contacten hebben.

Een ander onderzoek. Psychologen vragen aan ouderen of er tenminste één persoon in hun leven is met wie ze over hun problemen kunnen praten. Degenen die zo iemand hebben, blijken `jongere' hart- en vaatstelsels te hebben dan mensen die niemand hebben om mee te praten.

Nog eentje dan. In 1948 onderzoekt een medicus wat de exacte gevolgen voor kinderen zijn als de rantsoenen in Duitse weeshuizen een piepklein beetje worden vergroot, of dat zin heeft in die tijd van schaarste. Tot haar verbazing groeien de kinderen het best in het controleweeshuis, waar ze geen extra brood, jam en sinaasappelsap krijgen. Wat blijkt bij nader inzien? Dat weeshuis werd geleid door een liefdevolle dame, een zonnetje in huis, terwijl het weeshuis waar de kinderen extra eten kregen, onder bewind stond van een al even stereotiepe onvoorspelbare tiran. Na enkele bestuurswisselingen wordt duidelijk dat een klein beetje liefde en aandacht (de kinderen moesten het zonnetje in huis met zijn vijftigen delen) beter is voor de gezondheid van de kinderen dan een klein beetje extra eten.

Filosofen, psychologen, antropologen en biologen hebben altijd om het hardst geroepen hoe sterk agressie en egoïsme verankerd zijn in de aard van de mens, aldus psycholoog Shelley Taylor, maar het is nu de hoogste tijd om ook eens de andere kant van het verhaal te benadrukken: dat mensen van nature geneigd zijn om lief voor elkaar te zijn en om elkaar aandacht en troost te bieden. Oók, bijvoorbeeld, aan wildvreemden, in tijden van nood. De mens is de mens niet alleen een wolf, de mens is de mens ook een lief zacht zorgend knuffeldier. En gelukkig maar, want liefde is zo gezond dat het als biologische eigenschap minstens zoveel survival value biedt als agressie.

Shelley Taylor is hoogleraar psychologie aan UCLA (University of California in Los Angeles), gespecialiseerd in onderzoek naar stress en gezondheid, en co-auteur van een aantal wetenschappelijke handboeken sociale psychologie en gezondheidspsychologie. The Tending Instinct is haar eerste populair-wetenschappelijke werk, en het is een gedegen pleidooi voor de liefde, een oproep om de zachte kant van de mens evenveel erkenning te geven als de zo vaak uitgebreid beschreven harde kant.

Het is wel duidelijk dat Taylor die zachte kant de belangrijkste vindt. De vraag waarom mensen zulke grote hersenen hebben is vaak beantwoord met verwijzingen naar de jacht, schrijft ze: de menselijke herseninhoud zou zijn toegenomen toen mannen hun jachtactiviteiten moesten coördineren. Maar zij is aanhanger van een recentere verklaring. Onze hersenen zijn zo groot omdat we allerlei sociale zaken tegelijk in de gaten moeten houden. Wie wie is, wat de betekenis is van allerlei nonverbaal gedrag, wie je kunt vertrouwen, hoe de toon van iemands stem zijn bedoelingen kan verraden, we weten het allemaal in een split second, zodat we goed met elkaar om kunnen gaan. En daarbij is samenwerking zo sterk de norm, benadrukt Taylor, dat het niet eens meer opvalt dat de winkels open zijn, dat er bussen rijden, dat er voor kinderen, zieken en ouderen gezorgd wordt.

En waar goede of slechte zorg al niet toe kan leiden. Volgens Taylor stelt de manier waarop er voor kinderen gezorgd wordt het stresssysteem goed of slecht af, alsof er een apparaatje wordt afgesteld. Ze beschrijft onderzoek waaruit blijkt dat kinderen uit `risicogezinnen', vol ruzies en conflicten, als volwassenen meer kans hebben op alle mogelijke stressgerelateerde ziekten. Ze analyseert in termen van neurotransmitters en hormonen hoe slechte zorg het immuunsysteem zou kunnen aantasten. Ze haalt onderzoek aan naar slecht bemoederde aapjes die minder van de `lekker aanvoelende' stofjes dopamine en serotonine in hun hersenen blijken te hebben. Ze oppert dat slecht bemoederde kinderen zich misschien wel zo vaak tot drank en drugs wenden omdat die stoffen in de hersenen dezelfde prettige effecten hebben als de goede zorg die die jongeren nooit hebben gehad – en ze beweert dat goed bemoederde kinderen dat soort `zelfmedicatie' niet nodig hebben en daarom ook niet zo prettig vinden.

Stresshormonen

Hoeveel effect zelfs kleine verschillen in `liefde van thuis' kunnen hebben, bleek uit een onderzoek dat Taylor deed met eerstejaars studenten die ze van tevoren had ondervraagd over hun ouderlijk huis. De studenten moesten zo snel mogelijk terugtellen van 4.985 naar nul in stappen van 7, terwijl ze gefilmd werden en een chagrijnige onderzoeksassistent hen aanspoorde om `sneller, sneller' te gaan. Vervolgens bleek dat de mensen die het bij hun ouders niet zo prettig hadden gehad, een hogere bloeddruk hadden en meer stresshormonen in hun bloed, en dat ze zich zich agressiever en somberder voelden dan mensen die heel vrolijk over thuis hadden verteld.

Zo verhardt Taylor haar verhaal over de liefde met uitgebreide beschrijvingen van psychologische, neurobiologische, medische en antropologische studies en vergelijkend onderzoek bij onder meer apen, olifanten en diverse typen knaagdieren. Ze ontleedt het verschijnsel altruïsme nog eens, toont aan dat niet de agressiefste maar de sociaalste aap aan de top belandt, en bespreekt de karakteristieke verschillen tussen mannen- en vrouwenvriendschappen en tussen mannelijke en vrouwelijke vormen van heldendom.

Een groot voordeel bij zulke onderwerpen is dat Taylor zelfs de meest gruwelijke open deuren nog zo weet te brengen dat je het idee hebt dat je iets totaal nieuws aan het lezen bent – bijvoorbeeld door te laten zien hoe clichés opduiken op plekken waar je ze niet verwacht en hoe ze ook intelligente wetenschappers overvallen. Neem het verhaal over Taylors onderzoeksgroep die voor het eerst op het idee kwam om te onderzoeken hoe vrouwen anders op stress reageren dan mannen. Dat was toen ze op bezoek waren bij stress-onderzoekers die met ratten werkten. Alleen mannetjesratten, zeiden die collega's, want bij vrouwtjes zat de hormonale cyclus in de weg. Trouwens, ook onderzoek naar stress bij mensen zou meestal gebaseerd zijn op mannelijke proefpersonen.

Taylor ging het uitzoeken, en het bleek inderdaad het geval: het klassieke idee dat stress leidt tot fight or flight–reacties – vechten of vluchten – bleek iets typisch mannelijks. Bezien vanuit de evolutietheorie ligt het voor vrouwen veel meer voor de hand, bedacht Taylor, om in groepen samen te scholen met de kinderen, want met kinderen bij je is het lastig vluchten of vechten. Ze ging op zoek naar bewijs voor een vrouwelijke tegenhanger van het fight or flight-principe. Tend and befriend, noemde ze het: zorgen voor de kinderen en steun zoeken bij elkaar. Vervolgens haalt ze een onderzoek aan waaruit blijkt dat vaders, als ze na een zware dag van hun werk thuiskomen, zich terugtrekken voor de tv en gaan snauwen als ze niet alleen gelaten worden, terwijl moeders, als ze een rotdag hebben gehad, juist extra lief zijn voor de kinderen. En het knappe van Taylor is dat je op dat moment pas doorhebt dat je een schreeuwend cliché hebt gelezen – en dat dat cliché jarenlang door wetenschappers over het hoofd is gezien.

Fijner nog zijn Taylors originelere gedachten. Zo beweert ze dat de reden dat mensen uit hogere sociale klassen gemiddeld gezonder zijn (ook nadat statistisch gecontroleerd is voor armoede, toegang tot de zorg en ongezonde gewoonten) is dat er vaker aardig tegen hen wordt gedaan. En ze werpt de paradox van het huwelijk op: vrouwen zijn gretiger als het om trouwen gaat dan dan mannen, terwijl relaties voor vrouwen stressoorzaak nummer één zijn en het huwelijk juist voor mannen gezond en handig is. De kans dat een getrouwde man ouder wordt dan vijfenzestig is meer dan 90 procent, voor een ongetrouwde man is dat 65 procent, en dat verschil bestaat niet voor vrouwen. In Amerika verdienen getrouwde mannen gemiddeld 12,4 procent meer dan vrijgezellen (31 procent als hun vrouw thuis werkt en 3,4 procent als ze buitenshuis werkt). Vrouwelijk zorggedrag is gezond en mannen – en andere vrouwen – profiteren daarvan.

Watjesachtig

Dat Taylors mooie betoog een betoog is, blijkt pas tegen het eind van haar boek. Daar predikt ze dat we terdege moeten beseffen dat mensen óók lief zijn, want als we vooral benadrukken dat de mens slecht is wordt dat een self-fulfilling prophecy. En ze haalt maar weer eens een onderzoekje aan, dit keer één waaruit blijkt dat alleen al het volgen van een economiecursus mensen al cynischer en egoïstischer maakt. Het klinkt allemaal ineens een beetje opgelegd moralistisch en watjesachtig, maar dat komt waarschijnlijk doordat we ineens geen vrijblijvend verhaal meer lezen, maar iets moeten doen – opdrachten, daar houden wij mensen niet van. En dan moeten we ook nog iets doen dat indruist tegen een hardnekkige, want nuttige, menselijke eigenschap die door Taylor onbesproken blijft, maar die natuurlijk ook verklaart waarom wetenschappers en filosofen de agressieve, wolfse kant van mensen altijd zo hebben benadrukt: de neiging om meer aandacht te geven aan negatieve, bedreigende informatie dan aan positieve.

Dat neemt niet weg dat Taylors pleidooi voor het toepassen van al die wetenschap, voor meer aandacht voor liefde in de maatschappij, voor plattere hiërarchieën, voor herwaardering van zorgtaken, goed en belangrijk is. Maar of het ook algemeen opgepikt zal worden? En of mensen haar ideeën dan op de goede manier aan de man/vrouw weten te brengen, zonder dat iedereen het recalcitrant als `soft gedoe' afdoet? Laten we het gewoon maar weer hopen.

Shelley Taylor: The Tending Instinct. Times Books, 320 blz. €31,–