Olie en oorlog

Menig westers politicus, dezer dagen geconfronteerd met economische tegenwind, zal met zorg de prijsontwikkeling van ruwe olie hebben gadegeslagen. Door de spanning over een mogelijke militaire actie tegen Irak moest de afgelopen weken voor een vat olie tussen de 27 en 30 dollar worden betaald. Normaal geachte prijzen liggen tussen de 22 en 28 dollar per vat. Een hoge olieprijs werkt door tot in de uithoeken van de economie van een land en kan het tempo van een naderende recessie aanzienlijk versnellen. De OPEC, de organisatie van olieproducerende en -exporterende landen – een prijskartel dat zijn gelijke in de wereld niet kent – heeft vandaag afgesproken tot eind van dit jaar de olieproductie op het huidige peil te zullen handhaven.

Meer olie op de markt brengen werd kennelijk niet nodig geacht, hoewel dat een prijsdrukkend effect zou hebben gehad. Consument en economie hebben dus het nakijken, maar de belangen van een kartel gaan dan ook nooit gelijk op met die van consumenten of staatshuishoudingen. Ze zijn er haast per definitie strijdig mee. De OPEC is er eerst en vooral voor zichzelf. De aangesloten landen zijn Saoedi-Arabië, Irak, Iran, Libië, Koeweit, Nigeria, Indonesië, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Venezuela en Algerije. De onderlinge prijsafspraken van deze landen vormen, zeker in tijden van internationale spanning, een ingewikkelde mix van eigenbelang, politiek handjeklap met de machthebbers in de wereld en het in de wielen rijden van buitenstaanders die wel olie produceren, maar geen OPEC-lid zijn. Rusland behoort daartoe, een grote producent die onder de OPEC-prijs kan leveren en moeiteloos zijn productie kan verhogen als daar aanleiding toe is.

De OPEC verliest liever geen marktaandeel aan landen als Rusland. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de huidige maatregel om de productie te handhaven niet overeenkomt met het belang van Moskou, dat om budgettaire redenen gebaat is bij een hogere productie. Het kartel is eveneens bezorgd over wat in het jargon `lekkage' wordt genoemd: stiekem meer olie produceren en afzetten dan onderling is afgesproken. Alle OPEC-leden hebben zich daaraan op z'n tijd schuldig gemaakt. Olieministers die verklaren dat hun landen zich houden aan de vastgestelde productieplafonds, liegen of kennen de feiten niet. Er wordt momenteel aanzienlijk meer olie geproduceerd dan de OPEC zelf heeft afgesproken. De prijs is nu eenmaal hoog – en de verleiding groot. De geloofwaardigheid van het kartel, door het evidente eigenbelang van de aangesloten leden toch al gering, lijdt onder deze schijnheiligheid. Het zijn prijsstunters als het dwarse `buitenlid' Rusland die de OPEC scherp houden en ervoor zorgen dat de markt niet volledig wordt dichtgetimmerd.

Interessant s de positie van Irak, het land met de grootste aangetoonde olievoorraden na Saoedi-Arabië (circa 112 miljard vaten van 159 liter). Komt er oorlog, en verdwijnt Saddams regime, dan kan dat een verschuiving van de oliebelangen in het Midden-Oosten tot gevolg hebben. In de Amerikaanse zakenkrant The Wall Street Journal van vandaag wordt een scenario geschetst waarin Irak na Saddam zijn olieproductie aanzienlijk opvoert. Met dank aan partners als Rusland, China, Italië en Maleisië. Het zou de verhoudingen in de OPEC veranderen; de hegemonie van Saoedi-Arabië vervalt. De conclusie van deze theoretische exercitie ligt voor de hand. Consument en wereldeocnomie zouden er wel bij varen. De praktijk is zonder twijfel weerbarstiger. De combinatie olie en oorlog heeft een hoge factor onberekenbaarheid.