Appels van Schiermonnikoog

De herfstappel Ambro is een toevalstreffer. Dankzij de inspanningen van pomoloog Tijs Visser (80) en fruitteler Louis Michielsens is hij klaar voor de markt. Andere schurftbestendige soorten met lange uitstaltijd zijn in de maak.

Uit honderdduizenden appelklokhuizen met miljoenen pitten, weggeworpen door duizenden vakantiegangers op het Waddeneiland Schiermonnikoog zijn in tientallen jaren tijd honderden appelboompjes gegroeid. Die staan in de duinen, meest op klokhuiswerpafstand vanaf de schelpenpaadjes en rond de enige kampeerplaats die het eiland rijk is. In het voorjaar zijn de bloesems overdonderend rozewit. Nu hangen veel boompjes vol met kleine, meestal groene en matig smakende appels.

Aan de andere kant van Nederland, in de boomgaard van de Dameshoeve, op de landengte die Zuid-Beveland met Noord-Brabant verbindt, pakt fruitteler Louis Michielsens de roodblozende appel die voor ons op tafel ligt. ``Op de vorm afgaand zit er zeker Golden Delicious in.'' Zijn vingers volgen de contour van de appel. ``Dat zie je aan de smal toelopende onderkant.'' Hij plukt even aan het steeltje. ``En aan het dunne steeltje. Maar hij smaakt helemaal niet naar een Golden Delicious. Waar hij zijn heerlijke smaak wel vandaan heeft, dat weten we niet.''

Het is een Schiermonnikoogse appel die Michielsens koestert. De appel heeft de goedkeuringsprocedure als nieuwe soort achter de rug, heeft kwekersrecht verkregen en heet Ambro. In de koelcel van de Dameshoeve ligt er een paar ton van. En in de boomgaard, tussen de goed 18.000 fruitbomen die Michielsens in zijn laatste jaar als fruitkweker nog heeft staan, staan enkele honderden bomen die Ambro dragen. Ze hangen nog steeds vol, want de plukkers komen nog voor een tweede en derde keer langs. De Ambro is de eerste Schiermonnikoogse appel die in productie komt. Vorig jaar heeft Michielsens er zijn klanten waaraan hij aan huis verkocht al blij mee gemaakt. ``Sommigen wilden in februari nog steeds de Ambro. Ik vond dat ik hem niet meer kon verkopen. Hij was al helemaal vettig geworden. Maar ze wilden hem per se hebben, vanwege de heerlijke smaak.''

De Ambro is een herfstappel. Hij wordt nu geplukt en heeft geen lange bewaartijd. Michielsens heeft nog tientallen andere Schiermonnikoogse appels in zijn boomgaard. Van iedere soort een viertal boompjes, zowel bespoten als onbespoten. Die appels zijn niet in de verkoop maar uitgangspunt voor kruisingsexperimenten die smakelijke, ziekteresistente appelrassen moeten opleveren, die liefst onbespoten nog een goede oogst geven.

De Schiermonnikoogse appels groeien op de Dameshoeve dankzij dr.ir. Tijs Visser. Visser is pomoloog: appelkundige. Afgezien van een zevental jaren rond 1960 toen hij op een thee-onderzoeksinstituut op Ceylon werkte, was Vissers carrière op vruchtbomen gebouwd. Van 1963 tot 1987 was hij hoofd grootfruit (vooral appels en peren) van het Instituut voor de Veredeling van Tuinbouwgewassen (IVT) in Wageningen, met een proefboomgaard in Elst.

kruising

Visser heeft in de jaren zeventig van de Elstar, de meestverkochte Noord-Europese appel, een doorslaand succes gemaakt. Die appel was op het IVT uit een kruising van twee appelrassen gekweekt, maar stond jarenlang op een sterkgroeiende onderstam die overmatige bladgroei veroorzaakte, waardoor de appels onattractief geelgroen bleven. Alle appelbomen in een boomgaard zijn ontstaan door een takje van een bloesem- en vruchtproducerend ras te enten op een onderstam. De eigenschappen van onderstam en ent bepalen beide wat voor boomtype er uiteindelijk groeit. Alle cultuurrassen zijn – afgezien van een enkele mutant – identieke klonen van bekende rassen: Elstar, Jonathan, Golden Delicious, Braeburn, Gala, Cox.

Nadat Visser de Elstar op een zwakgroeiende onderstam had geënt die de appel niet langer in het blad verborg, kwam de goedsmakende roodblozende appel tevoorschijn. Michielsens en Visser leerden elkaar kennen toen Michielsens op een goede dag aan Visser vertelde dat hij in zijn boomgaard een rode Elstarmutant had gevonden: dat werd de Red Elstar.

Visser stamt van Schiermonnikoog en in de jaren zeventig zag hij, tijdens een van zijn vele bezoeken aan het eiland, overal langs de paden appelzaailingen opschieten. Appelzaailingen zijn appelbomen die uit een ontkiemende appelpit zijn gegroeid. ``Ieder zaadje in het klokhuis van zo'n appel geeft echter een boom en appel met andere kenmerken,'' zegt Visser.

Op Schiermonnikoog zijn vooral klokhuizen weggegooid van de paar appelrassen die de plaatselijke winkels verkochten, maar de bomen die er uit zijn gegroeid krijgen allemaal verschillende appels. ``De meeste smaken nergens naar,'' zegt Visser, ``je kunt ze aan de varkens voeren.''

Die appelzaailingen op Schiermonnikoog waren eerst alleen maar leuk. ``Totdat ik me realiseerde dat veel van die bomen en appels nauwelijks van schurft en meeldauw te lijden hebben,'' zegt Visser. ``En vooral schurft is een groot probleem in de appel- en perenteelt.'' In een koud en nat voorjaar spuit een appelteler bijna wekelijks tegen schurft. Op slag veranderde Schiermonnikoog voor Visser in een proefveld vol appelbomen met veldresistentie tegen schurft.

Schurft is een schimmel (Venturia inaequalis) die zowel het blad als de vrucht kan aantasten. Het blad krijgt bruine vlekken, naar het zwartgrijs toe. En de vruchten vertonen bruine, meest ronde vlekken die op den duur wat kurkachtig aan kunnen voelen. Een fruitteler die schurft niet bestrijdt ziet zijn opbrengst geminimaliseerd.

``Al in de jaren veertig gingen de Amerikanen op zoek naar schurftresistente appelrassen,'' vat Visser het decennialange zoeken naar schurftbestendige bomen samen, waar hij ook steeds bij betrokken was. ``In de Verenigde Staten gingen ze terug naar de wilde appels, de kleinvruchtige sierappelrassen, die vaak volledig resistent zijn tegen schurft. Deze dominante resistentie is hoofdzakelijk op één gen gebaseerd. In kruisingen met schurftvatbare appelrassen is dan ongeveer de helft van de nakomelingen resistent en de andere helft niet.''

In de Amerikaanse schurftresistentietest werden de jonge zaailingen, enkele blaadjes hoog, in een koele en vochtige kas geplaatst. Daarna bevochtigden de selecteurs ze met een schurftsporensuspensie. De plantjes die geïnfecteerd raakten waren vatbaar. De anderen waren resistent, maar de appelbomen die daaruit groeiden leverden nog geen bruikbare appelrassen, vooral vanwege de kleine appels. ``De beste selecties werden nog een- of tweemaal teruggekruist met vatbare rassen met goede vruchten. Pas uit de nakomelingen van de derde generatie kruisingen zijn commerciële appelrassen geselecteerd. Het duurde toentertijd vijf tot tien jaar – de jeugdperiode – voordat een zaailing vruchten droeg. Dat kruisingsprogramma duurde 25 jaar en was een dure zaak, qua tijd, ruimte en geld.'' Vooral de lange jeugdperiode limiteerde de veredelingsefficiëntie. Visser deed begin jaren vijftig zelf onderzoek naar het verkorten van de jeugdperiode. Hij slaagde er uiteindelijk in om die fase met een paar jaar te bekorten.

Visser: ``Die veredeling was niet alleen erg kostbaar, maar er bleek ook een belangrijk risico aan verbonden. De schurftschimmel muteert vroeg of laat en kan de voornamelijk op één gen gebaseerde resistentie dan helemaal omzeilen. Enkele nieuwe Amerikaanse rassen hadden al eind van de jaren zeventig weer last van enige vatbaarheid voor schurft. Vandaag de dag is het verlies van resistentie een voldongen feit. Wij onderkenden dat probleem al vroeg en legden ons toe op het verkrijgen van veldresistentie. Dat is een resistentie die is gebaseerd op meerdere genen. In slechte appeljaren heb je dan wat meer schurft en in sommige jaren bijna niets. Maar waar het om gaat is dat er in de klimaatzone waarin je de boom plant een brede resistentie is. De kans dat zo'n resistentie verloren gaat is zeer klein.''

Dertig jaar geleden al kruiste Visser daarom op zijn instituut commerciële appelrassen met oude veldresistente rassen. ``Het was een hels karwei. Je weet dat je tienduizenden zaailingen nodig hebt om een goedsmakende resistente appel te treffen. Nou, we hebben in onze kas met die Amerikaanse methode – vochtig, koud, schurftsporen erover – tienduizenden zaailingen getoetst. Vrijwel zonder resultaat.'' Visser zwijgt even en vervolgt: ``Het was ook wel dom wat we deden. Dat kan ik nu wel zeggen. Onder die zware toets móesten die zaailingen wel mislukken. Het idee van veldresistentie is dat de plant onder milde omstandigheden schurftvrij blijft.''

Wat op het proefstation mislukte, slaagde ondertussen in de Schiermonnikoogse duinen. Sinds de jaren zestig is het toerisme er sterk ontwikkeld en komen er jaarlijks tienduizenden mensen die achteloos klokhuizen weggooien. In dezelfde tijd is het duinkonijn er door de virusziekte myxomatose zo goed als weggevaagd. De 150.000 konijnen die er eerst duinen kaal knabbelden verdwenen. Jonge appelboompjes die uit pitten ontkiemen hebben daardoor een kans boom te worden. Behalve de harde wind, het inwaaiende zoute water en het schrale zand waarin de boompjes moeten wortelen, stond vooral de schurft een appelpit in de weg om appelboom te worden. Eén op de honderd of duizend appelpitten, weet Visser, heeft een combinatie van genen die de plant schurftresistent maakt.

schurftjaar

Visser bracht in 1981 de eerste appelboompjes op Schiermonnikoog in kaart. Vijf jaar later had hij er 112 in zijn kaartenbak en die beoordeelde hij op ziektegevoeligheid, smaak en grootte. Zelfs in het onder fruittelers beruchte schurftjaar 1987 bleven veel boompjes op Schiermonnikoog bijna of helemaal ziektevrij. Visser: ``De grote vraag was of de geringe schurft- en meeldauwgevoeligheid van die zaailingen het gevolg was van omstandigheden op Schier, of dat de veldresistentie een erfelijke eigenschap van het boompje was. In een boomgaard staan fruitbomen in een monocultuur. Op Schiermonnikoog staan ze tussen het gras en ingeklemd tussen andere bomen en struiken. Misschien beschermen die wel tegen schurft.'' Zat het in de genen of lag het aan het eiland? Was het nature of nurture?

Om die belangrijke vraag te beantwoorden plantte Visser in 1985 en 1986 48 op onderstam geënte Schierse appelbomen in een onbespoten deel van IVT-proeftuin in Elst. Al snel bleek dat bomen die op Schiermonnikoog aan schurft leden, er ook in Elst last van kregen. Ongeveer de helft van de boompjes was geheel resistent op beide plaatsen. De rest was matig tegen schurft bestand. De correlatie tussen de boompjes op Schier en in Elst was 0,95, wat bijzonder hoog is. Die veldresistentie berustte dus op genetische eigenschappen. Het was nature (Euphytica, vol 40 (1989) 265-270).

``Die eerste 48 bomen in Elst kregen alleen appels die niet goed smaakten,'' zegt Visser. Hij vroeg en kreeg toestemming van Domeinen om enten van de appelboompjes van Schiermonnikoog te snijden. ``Je moet die zaken goed regelen, want wie een nieuwe appelsoort vindt heeft het kwekersrecht. De oogjes van de burgemeester van Schiermonnikoog begonnen al te glimmen toen ik hem dit voorjaar zei dat het uitvoeren van een veredelingsproject zoals dat op Schiermonnikoog vanzelf plaatsvond jaren zou duren en miljoenen euro's zou kosten.'' Zoals de indianen in het regenwoud van de Amazone tegenwoordig geld van een farmaceutische industrie willen `voor het beheer van de genenbank' als er een medicinaal belangrijk molecuul is ontdekt in een regenwoudplant, zo zou de Schierse bevolking mee kunnen delen in de opbrengst uit hun proeftuin. ``Maar ik rekende snel voor dat wij hier al vijftien jaar een deel van het jaar onbezoldigd mee bezig zijn. Dus dat er dan nog wel salaris moet worden betaald,'' lacht Visser. Visser en Michielsens zijn partners in dit project.

In de jaren negentig sneed Visser enten van bijna 200 verschillende Schiermonnikoogse appelboompjes. Michielsens maakte van ieder `nummer' vier boompjes en plantte de helft op een bespoten deel en de andere helft in het onbespoten deel van zijn bedrijf.

Visser: ``Michielsens bespoedigt de productie van geënte bomen door het seizoen aan de voorkant te verlengen. Hij ent op opgepotte onderstammen die in de kas staan, zodat ze optimaal profiteren van de vroege voorjaarszon en vervolgens zonder groeivertraging in de volle grond kunnen worden geplant. Ettelijke enten die ik afgelopen winter van Schiermonnikoog meenam droegen deze zomer al een paar vruchten. Volgend kunnen ze waarschijnlijk allemaal worden beoordeeld op smaak en resistentie. Maar ja, het moet ook wel zo snel, want ik heb haast.'' Visser is tachtig.

Nu de appels weer rijpen lopen beide mannen op rubberlaarzen en gewapend met een aardappelschilmesje langs de boompjes. Die contrasteren sterk met de rijen ernaast die helemaal vol staan met Red-Elstarappels of Conferenceperen. In de experimentele rijen is iedere boom anders gebouwd en hebben de appels per boom een andere kleur, een andere blos, een andere vorm en een andere rijpingstijd.

Visser plukt een appel, snijdt er een partje uit, neemt proevend een hapje van het vruchtvlees en trekt een vies gezicht: ``Hak deze maar om. Niet te eten.'' Hij biedt zijn partner zelfs geen stukje aan. De aangesneden appel eindigt onder de bomen bij de valappeltjes.

``Probeer deze dan,'' zegt Michielsens die weet waar de beloftes staan. ``Dit is een rode zomerappel. Erg lekker en mooi voor op de fruitschaal.'' Hij snijdt en deelt onder de stralende Zeelandse herfstzon appelpartjes rond. Een frisse zure smaak, met zoet en een prettig snoepjesaroma streelt de tong. ``Laten staan deze boom. Absoluut,'' zegt Visser.

Een goedsmakende appel bevat omstreeks 16 en soms wel 20 gewichtsprocent suiker als hij rijp is. Hij moet ook flink wat zuur produceren om tot een ordinaire mierzoete appel te vervallen. En hij moet bovenal aroma hebben, en niet keihard, ook niet zacht en zeker niet melig. Visser: ``De Elstar is er zo een en die is nog niet overtroffen. Ja, door de Karmijn misschien. Als handappel was hij goed, maar ook voor appelmoes was hij prima. En in appelbollen was hij geweldig. Maar ja, de boom had beurtjaren. Dus dan ruimt de teler ze op.'' In een beurtjaar draagt een boom een jaar geen appels. En in een tuinbouwbranche die toch al nauwelijks loont kan een teler dat niet hebben.

goed vruchtvlees

Het is dus niet alleen de consument die bepaalt welke appel er te koop is. Visser: ``Uiteindelijk bepaalt de groothandel welke appel er in de winkel ligt.'' Michielsens: ``De uitstaltijd moet bijvoorbeeld een week of drie zijn. Als de appel direct bederft als hij uit de koeling komt, wordt het niks. Hij moet er na een of twee weken in het distributiekanaal nog goed uitzien en daarna moet hij op de schaal nog een week goed blijven. Vorig jaar hadden we er een appel tussen dat hier in de tuin fantastisch smaakte en precies goed vruchtvlees had. Maar ik had een kistje in de koeling liggen. Toen ik na een weekje weer zo'n appel probeerde was de smaak nog steeds geweldig, maar het vruchtvlees was zo zacht als van een rijpe peer. Aan zo'n appel heb je niets.''

Het is niet zeker dat de bomen die Michielsens en Visser na de selectieronde van dit jaar aanhouden nog direct nieuwe rassen zullen leveren. Maar voor zover de vruchten er goed uit zien en ze nog net eetbaar zijn, kunnen ze dienen als kruisingsouder. De rode zomerappel blijft daarom staan, ook al is het geen bewaarappel. En de mooie groene appel die met een roze blos rijpt mag blijven. Michielsens: ``Die appel smaakt nog niet goed, maar een nieuw ras moet geen Elstar zijn. Mensen moeten in de winkel het verschil zien.''

Visser: ``Wat er uit de kruisingen komt weet je niet. Maar het grote voordeel van dit experiment is dat we gaan kruisen met zaailingen van productie-appels.'' Visser en Michielsens denken daarmee een voorsprong te hebben op concurrenten van een Europees project die in heel Europa een handvol oude schurftresistente veldrassen hebben opgespoord.

De Ambro was een toevalstreffer die direct van Schiermonnikoog via de Dameshof de markt haalt. De moederboom waar Visser de enten van sneed is echter verdwenen. Hij stond ten noorden van de camping langs een pad waar een paar jaar geleden een brede strook begroeiing is gerooid. Toen is de oerambro gesneuveld. Het kwekersrecht van de Ambro hebben Visser en Michielsens verkocht aan de Stichting Vermeerderingstuinen in Horst. Die verkopen jaarlijks tien miljoen enten aan fruitboomkwekers in binnen- en buitenland. Nog niet van de Ambro, maar van andere appel- en perenrassen.

De Ambro is de eerste appel waar Vermeerderingstuinen zelf het kwekersrecht van heeft verworven. ``We zien een beperkte markt voor de Ambro,'' zegt directeur Rob Koning. ``Een appel die in grote volumes naar de de supermarkt gaat zal het niet worden. Maar in de betere groente- en fruitzaak kan hij het heel goed doen als herfstappel. Na november mag hij dan niet meer worden verkocht. We gaan hem ook uitzetten bij fruittelers die veel huisverkoop hebben. Daar is het een goede appel voor. En voor de amateurmarkt is hij geschikt. Want mensen met een paar fruitbomen in de tuin hanteren meestal zelf niet de spuit. Die kunnen een schurfttolerante boom dus goed gebruiken.''

Koning gaat de markt voor de Ambro zelf ontwikkelen. ``Dat is een kwestie van enkele jaren. We hebben in Zeewolde nu productiebomen staan en hier in Horst staan duizend bomen waar we enthout van kunnen snijden. Komend jaar gaan we boompjes bij telers uitzetten.'' En de markt wordt verkend. Te beginnen de Schiermonnikoogse. Van 7 tot en met 10 oktober maken deelnemers en publiek van het internationaal kamermuziekfestival op Schiermonnikoog kennis met de Ambro. Koning verscheept daarvoor komende week de helft van Michielsens Ambro-oogst naar het waddeneiland. Hopelijk lopen de muziekliefhebbers even naar buiten om het klokhuis in de duinen te gooien.