Het wezen van de wolk

Ik had er nog nooit bij stilgestaan, maar ook ijsbergen moeten natuurlijk ooit ergens ter wereld zijn gekomen. `De voornaamste geboorteplaatsen van ijsbergen zijn de kusten van Groenland en van het Zuidpoolland' las ik in de encyclopedie. Geboorteplaatsen: je stelt je beschutte nesten voor, met sneeuwdons bedekt, of knusse ijsgrotten waarin het kleine ijsbergje voorzichtig mag proberen groter te groeien, met op de achtergrond een overhangende moederberg en een zwijgende vaderberg, maar zo is het niet. In werkelijkheid gaat het om enorme ijsgletsjers die, bijvoorbeeld bij Jacobshavn aan de westkust van Groenland, de zee bereiken en daar onder een enorm kabaal afbreken. Zo'n brokstuk noemt men een ijsberg. Niet ter grootte van een lammetje, maar meestal van een fors flatgebouw. Dagelijks worden in Jacobshavn zo een heel stel kant en klare ijsflats in zee gezet. Na de geboorteplons schommelen en schikken ze zich wat, waarna ze, zoals de encyclopedie het vriendelijk noemt, `op reis gaan'. Ze zoeken zelf een stevige stroom op en zo liften ze mee naar het zuiden, gezellig `langs de trekroute': een tocht van een jaar of twee langs Groenland, over de Labrador Zee en bij Newfoundland het bochtje om. De grootsten en sterksten draaien daar dan lekker de Atlantische Oceaan op. Het moet een machtig gezicht zijn: enorme ijsrotsen met grillige vormen, sneeuwwit en majestueus op de horizon voorbijdrijvend, als een karavaan in de woestijn, kalm op weg ergens naar toe.

Op 11 april 1912 begon in Queenstown, Ierland, een groot nieuw passagiersschip aan zijn eerste oversteek naar New York. Het was op dat moment het grootste, langste en hoogste passgiersschip dat er bestond: 270 meter lang, gewicht 46.328 bruto registerton. Het deed zijn naam eer aan: Titanic, dat is: als een titan, reus-achtig. De reis verliep voorspoedig, ook op zondagavond 14 april, toen het schip op volle snelheid onder Newfoundland het gebied van de reizende Groenlandse ijsbergen binnenvoer. Door andere schepen was de Titanic al voor de gevaarten gewaarschuwd, maar veel gevaar leek er niet te zijn. De twee mannen op de uitkijk in het kraaiennest hadden een goed zicht, over een kalme zee, op deze heldere koude avond met volop sterren. Het is dan ook nog steeds niet duidelijk hoe het mogelijk was dat een van deze ijsbergen pas werd opgemerkt toen het al te laat was, te laat om hem nog te ontwijken. Misschien was de oceaan die avond juist wel te kalm, waardoor er zich aan de voet van de ijsberg, ter hoogte van de waterlijn, geen brandingsschuimstrepen konden vormen, waaraan de gevaarten in het donker meestal goed te herkennen waren. Om tien over half twaalf schoven het enorme schip en de enorme berg rakelings langs elkaar. De meeste passagiers merkten het niet eens, maar onder de waterlijn werd er een gat in de scheepswand geslagen. De gevolgen zijn bekend. De Titanic zou New York nooit bereiken. Het strijkje bleef doorspelen, zo wil het verhaal, maar het schip liep intussen langzaam vol – en zonk na drie uur. Van de 2.200 opvarenden vonden 1.500 de dood. Het machtige schip was, nog voordat het zijn eerste reis had kunnen voltooien, een symbool geworden: van het ongebreidelde vooruitgangsgeloof, van de niet te temmen zucht naar winst, van de menselijke hoogmoed die voor de val was gekomen. De Titanic was de Icarus van de twintigste eeuw. Het terugvinden van het wrak, in 1985, op de bodem van de oceaan, was een regelrechte sensatie – zoiets als wanneer op de bodem van de Icarische Zee alsnog de resten van een stel handgemaakte vleugels zouden worden gevonden, met de handtekening van maker en bedenker Daedalus er nog op.

Vorige maand werd in Dundee een grote achtdaagse tentoonstelling gehouden van allerlei Titaniciana. Het pronkstuk was volgens de krant een foto van de ijsberg die de Titanic tot zinken had gebracht. De foto was op zichzelf niet zo bijzonder, maar het historische effect wel: alsof je even negentig jaar terug in de tijd werd gezet en oog in oog stond met de geschiedenis. Daar keek je nu het monster recht in het gezicht: de misdadiger, de moordenaar, het beest dat de verdrinkingsdood van 1.500 Titanic-passagiers op zijn geweten had. Verwarrend was wel dat hij er zo mooi en statig en ongenaakbaar uitzag, zoals alle ijsbergen: een witte sneeuwkolos, een drijvend ijskasteel, met aan één kant een hoge piek. Precies de rots van Gibraltar waarmee ooggetuigen de rampijsberg negentig jaar geleden ook al hadden vergeleken. Merkwaardig ook, deze vergelijking van een ijskoud poolgevaarte met een hete rotspunt in de Middellandse zee. En, al even merkwaardig, het verschil in levensduur tussen deze nog steeds bestaande nietige foto en de machtige berg die al lang verdwenen is. Een ijsberg, hoe groot ook, is juist het symbool bij uitstek van vergankelijkheid en tijdelijkheid. Hij is gedoemd een treurig leven te leiden: vanaf zijn geboorte almaar slinkend, stuurloos en anoniem dolend, op weg naar een wisse smeltdood ergens onvindbaar midden op zee.

Het was, kortom, een eenvoudige foto van een sterk gegeven. Maar toen ik mij er nog eens wat meer in ging verdiepen werd het bewijs voor de authenticiteit van de afgebeelde ijsberg wel steeds dunner. De foto was pas zes dagen na de ramp genomen, vanaf een toevallig passerend schip, door een jonge Tsjechische matroos. Er zijn in de loop van de jaren nogal wat concurrende foto's opgedoken, waarvan de makers of bezitters ook allemaal graag wilden beweren dat de Titanic-ijsberg er op stond. En verder leken en lijken al die Groenlandse ijsbergen nogal veel op elkaar, en hebben ze trouwens ook allemaal wel iets van de rots van Gibraltar. Zo begon de aanvankelijk sensationele foto van die ene beroemde ijsberg langzaam weer zijn glans te verliezen en te verbleken tot een kiek van een willekeurige anonieme ijsberg – even veelzeggend, of nietszeggend, als de foto van, bijvoorbeeld, een toevallig passerende wolk. `Door de lucht gaan bedaarde bergen/ of tragisch donkere rotsketens/ die de dag verduisteren' schreef Jorge Luis Borges in een wolkengedicht, in de vertaling van Robert Lemm. `Ze heten/ wolken. Hun vormen zijn zonderling./ Shakespeare heeft er eens een nagekeken/ die op een draak leek. De wolk van die/ avond glanst en gloeit in zijn woord/ en nog steeds zien wij haar voor ons.' Het is ermee als met die ene ijsberg die op Gibraltar leek: mooie bestendiging van uiterst vluchtige materie. Maar verder? Borges vraagt zich af wat wolken eigenlijk zijn, en dezelfde vraag zou aan ijsbergen gesteld kunnen worden. Toevallige bouwwerken wellicht? Onderdelen van een geheim goddelijk plan dat wij toch niet kunnen doorzien? Borges eindigt zijn sonnet even bedaard als hij het begon, met het opperen van een derde mogelijkheid voor het wezen van de wolk. Geen toeval, geen goddelijk plan, maar nietigheid: `Misschien is de wolk niet minder nietig/ dan de mens die haar 's morgens ziet.'

Meestal wordt de mens de natuur ten voorbeeld gehouden om hem zijn of haar nietigheid in te prenten, maar hier is het omgekeerd. Zie maar niet te hoog tegen de mooie wolkenfiguraties op, lijkt Borges te willen zeggen – ze zijn even vergankelijk als wij. Daarmee spreekt hij Shakespeare na, in Anthony and Cleopatra. Wat eerst een draak of een beer, een leeuw, een burcht, een rots, een bergtop, een bos of een paard leek, wordt voordat men er erg in heeft alweer uitgewist en opgelost en vaag en kleurloos gemaakt – als ijs in water. De mens is stof en tot stof zal hij wederkeren. Voor de machtige ijsberggevaarten geldt hetzelfde: tot water zullen zij wederkeren.