Een goed gesprek na de dood

In de novelle `De buitenkant van meneer Jules' van Diane Broeckhoven praat een oude vrouw tegen haar dode man voordat het leven weer verder gaat. ,,Hoe langer ik erover nadacht, hoe eenvoudiger het werd.'

De schrijfster Diane Broeckhoven (1946) woont in het Begijnhof van Antwerpen, omsloten door zestiende-eeuwse muren. In haar huiskamer is het doodstil, van de stad dringt geen enkel geluid door. ,,Achter deze muur is de kapel van de lekenzusters', wijst ze. ,,'s Avonds hoor ik hun engelengezang. Dan is het echt alsof ik half in de hemel woon.'

Broeckhoven schreef naast haar werk als journaliste voor het vrouwenblad Libelle en het spirituele tijdschrift Onkruid twintig jeugdboeken, waarvoor ze in Vlaanderen diverse prijzen kreeg. En ze schreef een roman voor volwassenen. In Vlaanderen vraagt men haar regelmatig voor voorlezingen, maar in Nederland is ze onbekend, hoewel ze hier dertig jaar woonde en pas negen maanden geleden terug is verhuisd naar haar geboortestad.

Wie weet brengt haar nieuwste boek daar verandering in. De buitenkant van Meneer Jules, verschenen in november vorig jaar, prijkt nu op de longlist voor de AKO-literatuurprijs, naast boeken van gerenommeerde auteurs als Kristien Hemmerechts, Doeschka Meijsing en Renate Dorrestein. De ontroerende novelle (nog geen tachtig bladzijden) behandelt een zeer intiem moment tussen een oude vrouw en haar man. De vrouw, Alice, wordt wakker van de geur van de koffie die haar man heeft gezet, zoals elke ochtend. De man, Jules, is na het zetten van de koffie overleden. Hij zit dood op de bank.

Alice houdt de gordijnen dicht, belt niemand, en kruipt bij haar man op de bank, op zoek naar zijn laatste restje warmte. Ze biecht haar man de geheimen op die elk lang huwelijksleven met zich meebrengt, is opgelucht dat ze nu eindelijk tomaten met veel mayonaise kan eten, en vraagt zich af hoe ze ooit nog uit haar bed moet komen, zonder de geur van Jules' ochtendkoffie.

,,Misschien dat dit boekje daarom zoveel weerklank vindt', aarzelt de schrijfster bij koekjes en haar eigen ochtendkoffie. ,,Het is een heel herkenbaar, simpel verhaal over niets anders dan een oude man, een oude vrouw en later een kind. Er is geen ballast. Ik broed mijn boeken altijd uit in mijn hoofd voordat ik ga schrijven, en meestal komt er dan steeds meer bij. Maar dit ei werd gek genoeg juist steeds kleiner. Hoe langer ik erover nadacht, hoe eenvoudiger het werd, totdat er niet meer overbleef dan een kievitseitje.'

Als Alice al een paar uur met haar dode man in gesprek is, wordt er gebeld. De buurvrouw komt haar zoontje brengen, de autistische David die dagelijks met Jules komt schaken. David blijkt juist de nuchterheid en de vanzelfsprekende aanvaarding te bezitten die Alice nodig heeft. Samen overbruggen de oude vrouw en het autistische kind die eerste vierentwintig uur, met schaakstukken, pannenkoeken en heel weinig woorden, verwonderd en vertrouwd tegelijk.

U legt in uw boek sterk de nadruk op de overeenkomsten tussen de oude vrouw en het autistische kind. Ze klampen zich allebei vast aan structuren en rituelen, vrezen de buitenwereld.

,,David is autistisch, hij heeft structuren nodig om niet in paniek te raken. Alice hecht aan haar rituelen zoals wel meer oude mensen dat doen. Voor echtparen, helemaal die van haar generatie, zijn gedeelde rituelen soms de manier waarop ze met elkaar communiceren. Alice klampt zich na de dood van Jules enerzijds extra aan die rituelen vast, anderzijds kan ze zich er ook los van maken, doen wat ze zelf wil. Dat zie je wel vaker; vrouwen met een dominante man, die pas na de dood van hun man een beetje gaan leven.'

U behandelt 24 uur gestolde tijd, de tijd tussen het intreden van de dood en het doorgaan van het leven. Het is een etmaal van pauze, van stilte, nog versterkt doordat het buiten sneeuwt. Moest het daarom sneeuwen?

,,Ik wilde graag dat het verhaal een beetje symbolisch zou zijn; innerlijke kou, bevriezing. Sneeuw dempt alles; als het sneeuwt is het stil, contouren zijn zacht, het licht heeft iets onwerkelijks. Toen ik hier net kwam wonen was het heel koud. Ik zat in mijn werkkamer te schrijven, ik had nog geen verwarming. Ik moest erg wennen aan al die stilte.'

Alice ziet erg op tegen de komst van de begrafenisondernemer. Is uw boek ook een pleidooi voor meer rust bij het afscheid nemen van een gestorvene?

,,Een maand nadat mijn boek gepubliceerd was, overleed mijn eigen vader, tamelijk onverwacht. Ik had het boek aan hem willen opdragen, maar heb daar op het laatste moment nog van afgezien, nota bene omdat ik vreesde iets over hem af te roepen. Hij heeft het nog wel gelezen, en hij was erdoor ontstemd; hij herkende zich erin, vond dat ik zaken verkeerd had weergegeven. Drie weken later lag hij in coma, en bevond ik mij met mijn zus aan het sterfbed van mijn vader.

,,Ik heb daar precies dezelfde dingen gedaan als Alice. Ik heb dingen tegen hem gezegd die ik nooit had durven zeggen als hij nog bij bewustzijn was geweest. Ook dat het zo goed was, dat ik van hem hield, dat hij het leven los kon laten en gaan. Mijn vader en ik hadden een sterke band, we hebben veel gevochten; waarschijnlijk omdat we zoveel op elkaar leken. Ik zei tegen mijn zus: weet je dat ik nu voor het eerst iets aan hem kan vertellen zonder dat hij me onderbreekt?

,,Maar na verloop van tijd, toen we daar zaten, mijn zus en ik en mijn dode vader in zijn nette pak tussen ons in, vroegen we ons af: moeten we zo langzamerhand niet iets doen? Toen hebben we de begrafenisondernemer gebeld.

,,Zo viel ik uit die wereld, die je boven jezelf uittilt en waarin dingen gebeuren die je in het alledaagse niet voor mogelijk houdt, weer terug in de andere, gewone wereld. Dat is de wereld van de begrafenisondernemer, de wereld waarin mijn moeder een soort glanzende Wehkampcatalogus op haar schoot kreeg om daarin een model kist uit te zoeken. En dat moet, dat is ook goed. De beweging zet weer in. Maar ik ben blij dat mijn vader op deze manier gestorven is, en dat ik erbij geweest ben. Je kunt het tragisch vinden dat Alice pas na zijn dood dat goede gesprek voert met haar man. Maar het is ook troostrijk; je kan dat blijkbaar doen. Zelfs als iemand bij wijze van spreken al zes jaar onder de grond ligt.'

Me dunkt dat omgaan met verlies een onderwerp is dat ook in uw journalistieke werk voor Libelle en Onkruid wel aan de orde is gekomen. Naast herkenning gaat het in die bladen vaak ook om het bieden van hulp en troost. Motiveert dat u bij het schrijven van uw boeken?

,,Bij Onkruid noemde men mij wel de engel des doods, omdat ik vaak artikelen schreef die met de dood te maken hadden. Iemand zei mij dat dit boekje troost biedt, en dat vond ik een groot compliment. Toch is het allerminst zo dat ik schrijf met een soort sociaal plan, een vooropgezet idee om anderen te helpen. Integendeel. Aan De buitenkant van Meneer Jules ben ik begonnen toen ik er weer bovenop gekrabbeld was na een moeilijke periode. Ik was terug naar Antwerpen verhuisd, naar een kleiner huis, ik had mijn andere huis opgeruimd en zo mijn hele leven door mijn handen laten gaan. Vervolgens kreeg ik, koud hier aangekomen, een hernia, waaraan ik geopereerd moest worden. Ik lag maanden op een matras tussen de dozen. Ik kon niets, en werd zo gedwongen afscheid te nemen van mijn oude leven en na te denken over mijn nieuwe leven.

,,Toen ik na drie maanden weer aan een boek begon, kon dat natuurlijk geen boek vol actie zijn. Het moest een stil en nederig boek worden, dat zich in de sneeuw afspeelde, dichtbij de bron. Door het te schrijven heb ik, denk ik, vooral mijzelf getroost.'

Diane Broeckhoven: `De buitenkant van meneer Jules'. Uitg. The house of books, 78 blz. €12,50. Volgende week wordt de AKO shortlist bekend gemaakt.