De wereld op zijn kop

Nog nooit zijn Nederlanders zo welvarend geweest als nu. Er wordt meer verdiend en er gaat meer geld om in de economie dan ooit. En toch moet het minder en zuiniger in de publieke sector, en kan een beetje goede zorg er nauwelijks meer vanaf. Waar gaat het in hemelsnaam om?

Om het geld, om het profijt, hoor je links en rechts. Hoe meer geld we hebben, hoe meer geld er toe lijkt te doen. Je zou zeggen dat nu we zo welvarend zijn, we ons met de werkelijk belangrijke dingen van het leven kunnen bezighouden. Maar nee, het bezit van steeds meer geld lijkt er alleen maar toe te leiden dat we er meer bezeten van zijn dan ooit.

Het is de wereld op zijn kop. Want hiermee wordt een middel tot doel verheven. Het is alsof het leven draait om de economie en om geld. Alsof het geluk bepaald wordt door de hoeveelheid geld dat we verdienen. Alsof een stad de cultuur zou moeten subsidiëren omdat dat goed voor de economie is (zoals een aantal Rotterdamse zakenlieden hun wethouder voorhouden). Alsof Kok tevreden mag zijn omdat er onder zijn leiding de Nederlandse economie zo lekker gegroeid is.

Natuurlijk gaat het daar niet om. Geld is niets meer en niets minder dan een middel. Het gaat erom wat mensen met hun geld doen.

Sociologen duwen daarom het begrip sociaal kapitaal naar voren. Dat klinkt nogal economisch, maar het gaat hier om waardevolle zaken als de kwaliteit van intermenselijke relaties, vriendschappen, liefde, een goed gezinsleven, verantwoordelijkheidsbesef, betrokkenheid, burgerzin en meer in het algemeen de beschaving van een samenleving. Het sociaal kapitaal is een betere graadmeter van een goed leven en een goede samenleving dan het economisch kapitaal. Mensen kunnen nog zoveel geld verdiend hebben maar als ze daardoor geen vrienden meer hebben, vervreemd zijn van hun levenspartner, hun kinderen nauwelijks kennen, en het contact met hun samenleving kwijt zijn, dan zijn ze armoedig wat hun sociaal kapitaal betreft. Een economisch voortvarende samenleving waarin het wantrouwen toeneemt, en de burgerzin, de betrokkenheid en zorgzaamheid afnemen, gaat er sociaal gesproken op achteruit. De onvrede die in Nederland de kop opstak, zou daar wel eens mee te maken kunnen hebben. Economisch moge het voor de wind gaan, qua beschaving gaan we er niet op vooruit. Integendeel zelfs.

Dat sociale is niet alles. Het goede leven gaat om meer, dunkt me. Wat te zeggen van het vermogen om te inspireren dan wel geïnspireerd te worden? Je zou dat vermogen het cultureel kapitaal kunnen noemen. Mensen hebben het, maar ook steden, organisaties en landen. Waar dat cultureel kapitaal uit bestaat verschilt nogal. De één heeft het vermogen inspiratie te vinden in de natuur, de ander vindt het in de religie en weer een ander in de kunst. Een samenleving vindt het in gemeenschappelijke idealen en waarden.

Amerikanen putten inspiratie bij een crisis als die van 11 september uit hun Amerikaanse droom en vlag. Dat cultureel kapitaal is hun kracht.

Zou het kunnen dat de onvrede in dit land vooral komt door een gebrek aan cultureel kapitaal? Was het daarom dat Fortuyn, zoals Bas Heijne dat op deze plek zo verwoordde, als een messias werd gezien? Hebben mensen genoeg van de kruideniers en willen ze predikers die hen kunnen inspireren? Je zou het zeggen. Wat is een leven zonder inspiratie. Ook een samenleving moet inspirerend kunnen zijn.

`Vaag', roepen de mensen die denken in termen van geld en groei dan. Dit zijn dezelfde mensen die nerveus worden als ministers over normen en waarden gaan praten. Of wanneer anderen hun zorgen uitspreken over de beschaving van deze samenleving.

Die huivering is op de keper beschouwd onzinnig. Want het gaat altijd over normen en waarden. Alle politiek gaat uiteindelijk over het soort beschaving die we willen. Als Paars werk, werk, werk als slogan heeft, stelt ze een norm aan de orde, te weten de waarde van werk, en daarmee betaald werk als de norm. Met als resultaat dat de moeder die voor haar eigen kinderen wilde zorgen, tegen de norm in gaat. Willen we een dergelijke samenleving? Dat is de vraag waar de discussie over dient te gaan.

Met hun punt van normen en waarden stellen ministers Heinsbroek en Balkenende dus de kwaliteit van onze beschaving aan de orde. Gelijk hebben ze. Respect voor huisartsen, agenten en docenten? Graag. Ik hou er graag rekening mee de volgende keer wanneer ik een bekeuring krijg. Misschien helpt het als een student die mij als docent beledigt, een vervolging riskeert, zoals nu in de Franse wet vastgelegd is.

Toch riskeren deze politici dat hun opmerkingen over waarden en normen gratuit blijven. Want wat heb ik aan het respect van studenten als ik tegelijkertijd merk dat dezelfde politici de financiële poten onder mijn stoel wegzagen. Fatsoen? Hoe fatsoenlijk is het dat bankdirecteuren momenteel meer per maand verdienen dan de premier in een heel jaar?

En hoe beschaafd is een samenleving die door marktwerking uit elkaar gerukt wordt, haar publieke zaak verzaakt, en bezeten is van geld en economie? Ik wacht op voorstellen die deze samenleving werkelijk sociaal en cultureel kunnen verrijken.

Arjo Klamer is cultureel econoom aan de Erasmusuniversiteit