Een hoofd vol Azië

In een serie over vertaalde klassieken deze week

`De Aziaten' van Frederic Prokosch

(uit het Engels vertaald door Martha Heesen, Atlas, 348 blz. euro 18,50)

Menige kantoorklerk of studeerkamergeleerde moet tien jaar geleden na lezing van De Aziaten hebben overwogen zijn stoffige bestaan vaarwel te zeggen om in een ver oord een nieuw leven te beginnen. De uit 1935 daterende roman – verschenen in een Nederlandse vertaling bij de onvolprezen uitgeverij Coppens & Frenks – was meteen al een klein succes en moest nog dezelfde maand worden herdrukt. Terecht, want Prokosch' rake natuurbeschrijvingen, cultuurpessimistische levenswijsheden en de – soms zeer erotische – avonturen van de verteller zijn zo mooi dat ze je nog altijd doen zwijmelen.

De Amerikaan Frederic Prokosch (1906-1989) was in 1991 een vergeten schrijver. Zijn laatste roman, America. My Wilderness, dateerde uit 1971. Hoogstens een enkele sporthistoricus kon zich nog herinneren dat hij van 1933 tot 1939 squashkampioen van Frankrijk was en in 1944 van Zweden. Pas toen de Amerikaanse schrijver en journalist Gore Vidal in 1983 een artikel over hem schreef na het verschijnen van zijn memoires en een herdruk van The Asiatics, keerde hij terug in het geheugen van het literaire establishment. In een nieuw deel van de serie De twintigste eeuw van uitgeverij Atlas is De Aziaten nu herdrukt, inclusief het uit 1991 daterende nawoord van Aziëkenner Ian Buruma.

Prokosch' literaire roem dateerde uit de jaren dertig en veertig, toen hij de ene roman na de andere publiceerde. Hij won prijzen en werd door sommige critici op een lijn gesteld met Faulkner en Hemingway. De Aziaten leverde hem indertijd zelfs de lof op van Thomas Mann, die nogal zuinig was als het ging om het uitdelen van complimenten aan collega-schrijvers.

De Aziaten is een gefingeerd reisverslag van een energieke, onbevreesde jonge Amerikaan die in de jaren dertig via het Midden-Oosten naar Turkije, Perzië, de Kaukasus, India en Indo-China trekt, met niet meer dan wat ondergoed en een beetje zakgeld. Tijdens zijn tocht maakt de verteller de spannendste dingen mee. Hij wordt beroofd, belandt in een Turkse gevangenis waar hij met zijn hitsige medegevangenen neukt, ontsnapt op spectaculaire wijze aan een executie en komt in aanraking met gehaaide opiumsmokkelaars, meedogenloze spionnen, verwijfde maharadja's en dolende westerlingen op zoek naar de zin van het bestaan. Het zijn belevenissen die van De Aziaten vooral een spannend boek maken.

De oosterse wereld met zijn rovende nomaden, bedelaars, boeddhistenkloosters, mooie mannen en vrouwen was in die tijd in de mode. Het westen met zijn opkomende totalitaire regimes en genadeloos kapitalisme gold als een samenleving in verval. Alles draaide er om geld, medemenselijkheid leek er niet meer te bestaan. Ook in De Aziaten wemelt het van zulke kritiek op het westen, al is die nooit afkomstig van de verteller zelf maar altijd van de mensen om hem heen, die in het oosten iets zoeken waarvan ze diep in hun hart weten dat ze het daar niet zullen vinden. De verteller in De Aziaten kun je dan ook niet vergelijken met zijn vele Europese tijdgenoten die de wereld afstroopten op zoek naar de zuivere – primitieve – mens. Nee, hij is eerder een optimistische Amerikaanse avonturier, die nooit terneergeslagen is en van alles wat hij meemaakt weet te genieten. Die eigenschappen maken hem mild, waardoor hij zijn weltschmerzende hoofdpersonen in hun waarde laat en niemand een echte `klootzak' is.

Iets anders waarvoor Prokosch lof verdient is zijn genadeloze beschrijving van de moordlust van de Russische geheime dienst, de Tsjeka. Terwijl vrijwel heel intellectueel Europa in die tijd zijn ogen en oren gesloten hield voor de verschrikkingen die zich in de Sovjet-Unie afspeelden, is daar bij hem geen sprake van. Vaak weet hij in enkele zinnen het gruwelijke optreden van de Tsjeka-agenten te typeren. Zo vertelt hij over een Armeense vrouw die hij in een vluchtelingenkamp op de Kaukasus tegenkomt: `Ze vertelde ons dat ze eens vijf zonen had gehad en een man. Allemaal, alle zes, waren ze door de Tsjeka vermoord. Alle zes, galmde ze, alle zes. Maar er lag geen verbittering of haat in haar stem, alleen maar een wezenloze, jammerende hopeloosheid. Niets was er meer over voor haar, ze leefde helemaal niet meer.' Tegen zulke zinnen kan niets en niemand op.

Maar er is nog iets waardoor je graag blijft verder lezen in De Aziaten. Je denkt voortdurend dat Prokosch alles wat hij beschrijft werkelijk heeft meegemaakt, terwijl het tegendeel waar is. Prokosch is nooit in Azië geweest, heeft geen Indiër of Singalees de hand geschud, heeft nooit in een Turkse cel gezeten temidden van elkaar verkrachtende medegevangenen en heeft nimmer als opiumsmokkelaar zijn geld verdiend. Alles wat in De Aziaten voorkomt is verzonnen en uit boeken gehaald. Prokosch' literaire overtuigingskracht is alleen maar gebaseerd op zijn heldere journalistieke stijl, waarmee hij de dingen neerzet zoals ze zijn. Dat leidt zowel tot genadeloze beschrijvingen van mensen en landschappen als tot een elegante ironie die soms aan Thomas Mann doet denken. Ingrediënten waaraan je een mooi boek herkent.