Band

Een gewone fiets heeft niet twee maar vier banden. Dat komt omdat de banden van het voor- en achterwiel dubbel tellen. Elk wiel heeft een binnen- èn een buitenband. Twee plus twee is vier.

Er zit een groot verschil tussen de binnenband en de buitenband. De binnenband is van slap rubber en is op het ventiel na helemaal dicht. In doorsnede heeft hij de vorm van een o. De binnenband dient voornamelijk om de lucht in de band te houden. Net als een opgeblazen ballon die al na een paar dagen na het verjaardagsfeest slap begint te worden, loopt de binnenband heel langzaam leeg. De lucht kan namelijk nog door minuscule gaatjes in het rubber ontsnappen. Gelukkig gaat het leeglopen niet zo snel als bij een ballon. Het rubber van de band is veel dikker dan de huid van een ballon. Moderne binnenbanden zijn bovendien gemaakt van butylrubber, een rubbersoort die maar heel weinig lucht doorlaat.

De buitenband is sterk en slijtvast en geeft de band zijn stevigheid. Hij is aan de binnenkant open en heeft in doorsnede een u-vorm. De buitenband zit wat ingewikkelder in elkaar dan de binnenband. Hij bestaat niet alleen maar uit rubber. De band is aan de binnenzijde verstevigd met vezels. De randen van de band zijn ook verstevigd. In de band zit op die plaats een hoepel van ijzerdraad of kunstvezel. Dankzij die verstevigde rand klemt de band goed in de metalen velg van het wiel.

De buitenband heeft aan de buitenkant een profiel. Dat is een patroon van ribbels en noppen. Zo'n profiel is nodig om te zorgen dat de kracht waarmee je trapt en ook de kracht waarmee je remt goed van de band op het wegdek worden overgebracht.

Met alleen een binnenband of alleen een buitenband zou je niet kunnen fietsen. Maar samen om één wiel vormen binnen- en buitenband een geslaagde combinatie. Als de band is opgepompt blijft alles keurig op zijn plaats zitten door de luchtdruk in de binnenband. De band wordt dan stevig in de velg gedrukt en kan er niet meer aflopen. Het vormt zo één geheel.

De fietsband dient in de eerste plaats voor de vering van de fiets. De band deukt een stukje in als je bijvoorbeeld over een steentje rijdt. Door dat indeuken worden schokjes gedempt, en voel je niet alle oneffenheden op de weg.

Een goede fietsband heeft ook een lage `rolweerstand'. Dat betekent dat de band in de rijrichting zo min mogelijk wordt afgeremd door het contact met het wegdek. En daardoor loopt de fiets lichter. In de zijwaartse richting moet de weerstand juist iets groter zijn. Dat voorkomt dat de band in de bocht wegglijdt. Was dat niet zo, dan zou je als fietser in een scherpe bocht onderuitgaan.