Vergeten door de schepper

Ooit waren de Drents-Groningse Veenkoloniën, bekend van de turf en de aardappelen, een welvarend en modern gebied. Maar ondanks de steun van de overheid blijft het gebied de laatste decennia economisch achter. En Brussel zint op minder subsidies voor de aardappel- boeren.

Kaarsrecht zijn de wegen en kanalen, kilometers lang, als linealen tussen de eindeloze aardappelvelden. Links gaat een boerderij schuil achter het loof van vier oude lindebomen. Rechts staat nog een boerderij met wat schuren, omringd door maïs en nog meer aardappelen. De stilte wordt alleen verstoord door een trekker die kilometers verderop door de velden ploegt. Dan is er weer honderden meters niets, dat wil zeggen: aardappelen, een akker met suikerbieten, nog een boerderij, en nog meer eerappels. Oude Pekela, Kiel-Windeweer, Eexterveenschekanaal, Gasselterboerveenschemond, Emmer-Compascuum, lintdorpen langs een web van kanalen en vaarten.

Hoe stil en vreedzaam het gebied er ook bij ligt, de Drents-Groningse Veenkoloniën zijn steeds meer een zorgenkind geworden van allerlei overheden. Niet omdat sommige huizen zo afgelegen liggen dat de kabelmaatschappijen geen heil zien in aansluiting van de streek op het landelijke kabelnet, of omdat dagbladen bij sommige boerderijen louter een postabonnement aanbieden.

Het gaat niet goed, zo valt al jaren te lezen in rapporten over de eens zo welvarende streek die zich uitstrekt van Hoogezand in de provincie Groningen tot voorbij Emmen in Zuidoost-Drenthe. De overheid heeft onlangs besloten dat de ,,economische structuur'' van de Veenkolononiën zal worden versterkt om te voorkomen dat het gebied verder verpaupert en vergrijst. Dat is een andere manier om te zeggen dat de ploeg door het veen moet, dat er meer werk, meer bedrijven en meer huizen zullen moeten komen.

Veel van de 200.000 inwoners in de Veenkoloniën gruwen alleen al van de gedachte. ,,Zeg nou zelf: moeten hier straks snelwegen, industrieterreinen en parkeerplaatsen komen?'', zegt Klaas Wigchering, akkerbouwer in Oud-Annerveen, een dromerig boerendorp niet ver van het riviertje de Hunze. ,,Het is hier saai en armoedig en ontoegankelijk – en de boeren wonen hier nog in plaggenhutten'', zegt hij spottend. ,,Laat iedereen gerust denken dat het verschrikkelijk is om hier te leven'', zegt Wigchering aan zijn keukentafel.

Hij reageert op een onderzoek dat vorig jaar werd gepubliceerd door een commissie onder leiding van voormalig topambtenaar Rein Jan Hoekstra, nu lid van de Raad van State. Hoekstra groeide zelf op in Stadskanaal, in het hart van de Veenkoloniën. In opdracht van het kabinet-Kok onderzocht hij hoe de landbouwstreek minder kwetsbaar kan worden gemaakt. Hij concludeerde dat er twee problemen zijn: het gebied heeft een te eenzijdige economische basis (de teelt van zetmeelaardappelen) en het heeft een uitgesproken negatief imago, waardoor mensen en bedrijven zich er niet graag vestigen, er zelfs wegtrekken. Nieuwe bedrijvigheid, betere wegen en toeristische attracties zijn van levensbelang, oordeelde Hoekstra, en in zijn kielzog volgden de provincies en het kabinet.

Klaas Wigchering moet er voorlopig niets van hebben. ,,De inkomens zijn hier misschien wat minder hoog dan in het westen, maar is dat erg? Zijn we hier ongelukkig? In Polen zijn de lonen nog lager, en als je daar komt zeggen ze: moet je 's in de Oekraïne gaan kijken hoe arm de mensen daar zijn. Hoger geschoolden trekken hier weg. Is dat erg? Nee, want er is genoeg werk voor laag- geschoolden. De meeste mensen in de Veenkoloniën zijn tevreden. Je bent gelukkig als je in harmonie leeft met je omgeving.''

Wigchering begon in 1976 met 50 hectare landbouwgrond rond de 125-jaar oude boerderij waar hij is geboren, net als zijn vader en zijn grootvader. Inmiddels heeft hij door het opkopen van grond van failliete of gepensioneerde boeren een bedrijf van 220 hectare, dat hij alleen met zijn 22-jarige zoon Frans bestiert. Op het grootste deel daarvan verbouwen de Wigcherings fabrieksaardappelen voor het coöperatieve zetmeelconcern Avebe, dat zijn hoofdkantoor even verderop heeft in Veendam. Voor de vruchtwisseling verbouwt Wigchering ook suikerbieten, gerst en tarwe.

Frans komt de keuken binnen. Hij pendelt al enkele jaren heen en weer tussen Oud-Annerveen en Leeuwarden (87 kilometer), waar hij agrarische bedrijfskunde studeert. ,,Geen haar op mijn hoofd dat ik op een kamertje in de stad ga wonen'', zegt hij. ,,De hele studententijd is aan mij voorbijgegaan. Geef mij maar de ruimte hier. Ik wil niks missen van wat er op de boerderij gebeurt. Saai op het platteland? Als je wilt uitgaan, rij je naar Zuidlaren, zes kilometer verderop. Jongeren zijn mobiel genoeg tegenwoordig. Hier heb je nauwelijks last van diefstal van fietsen of autoradio's, er is geen drugsoverlast – ik zou niet weten waar je hier drugs zou moeten krijgen.''

Wie zich baseert op kille sociaal-economische en demografische cijfers, kan niet anders dan concluderen dat het gebied er op allerlei fronten slechter voorstaat dan de rest van het noorden, laat staan de rest van Nederland. De lonen in de Veenkoloniën liggen volgens een onderzoek van het bureau Kolpron Consultants dat werd verricht in opdracht van het rijk, ,,bijzonder laag''. De bevolking is sterker vergrijsd dan elders. De groei van de werkgelegenheid in de Veenkoloniën was de afgelopen jaren lager dan in de rest van Nederland. Het opleidingsniveau is laag. Mede daardoor ligt ook de arbeidsparticipatie in het gebied onder het landelijk gemiddelde, zeker bij vrouwen, en is het aantal werklozen en arbeidsongeschikten beduidend hoger dan elders.

Bij die cijfers was de economische terugval van het afgelopen jaar nog niet ingecalculeerd. Het slechte nieuws houdt wat dat betreft aan. Philips besloot afgelopen voorjaar enkele honderden mensen te ontslaan uit de vestiging in Stadskanaal. Ook die andere grote werkgever in de Veenkoloniën, Avebe, opgericht in 1919 en uitgegroeid tot de grootste producent van aardappelzetmeel ter wereld, kondigde onlangs aan 450 van de 1.600 banen te schrappen. Het bedrijf wil kunnen blijven concurreren met zetmeelproducenten in goedkopere landen in Azië of Zuid-Amerika.

Deze zomer gingen de alarmbellen in de streek opnieuw rinkelen, toen `Brussel' liet weten dat de landbouwsubsidies fors omlaag zullen moeten als de Europese Unie ook na de uitbreiding naar Oost-Europa financieel gezond wil blijven. Als het aan de Europese Commissie ligt, gaat de financiële steun aan de aardappelboeren binnen een paar jaar met 20 twintig procent omlaag.

Aike Maarsingh, aardappelboer en akkerbouwvoorman van LTO Nederland, heeft zelf 60 hectare landbouwgrond in het achterland van Stadskanaal. De helft van zijn grond is bebouwd met zetmeel- aardappelen voor Avebe, een kwart met zomergraan en nog een kwart met suikerbieten. Hij ziet het somber in als de Brusselse plannen doorgaan: ,,Boeren met een omvang van mijn bedrijf gaan er zeker 10.000 euro per jaar op achteruit'', zegt Maarsingh, ook Statenlid voor het CDA in Groningen. Voor de teelt van de zetmeelaardappel betekent dit ,,gewoon het einde''. Voor Avebe brengt het nieuwe landbouwbeleid ,,grote risico's'' met zich mee.

Wigchering is minder somber. ,,Ik ben niet bang dat de Europese steun aan de aardappelzetmeelindustrie zal verdwijnen, zoals iedereen al jaren voorspelt'', zegt hij. ,,De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Er zal hier altijd grond blijven, er zullen boeren zijn en er zullen hier altijd aardappels blijven.''

Maar niet iedereen is zo optimistisch. ,,Als we niks doen, trekken er nog meer jongeren weg, zal de landbouw verpauperen, en zal er leegstand in de dorpen komen'', voorspelt de Groningse gedeputeerde Rita Jansen in haar werkkamer in het provinciehuis, pal onder de Martinitoren. Zij is voorzitter van de Stuurgroep Veenkoloniën van de betrokken overheden die onlangs een speciale agenda opstelde om het veengebied op de schop te nemen. ,,Het gebied is niet aantrekkelijk genoeg voor nieuwe pioniers die voor bedrijvigheid, werk en inkomen kunnen zorgen. Ook zullen er geen toeristen komen als er niets wordt gedaan'', zegt zij. Ook Rein Jan Hoekstra concludeerde vorig jaar al dat er voor woningzoekenden ,,geen enkele reden'' is om zich in de Veenkoloniën te vestigen.

Van pioniers moesten de Veenkoloniën het door de eeuwen heen hebben. ,,Land dat bij de Schepping vergeten werd'', schreef volksdichter Geert Teis uit Stadskanaal aan het begin van de twintigste eeuw over de streek. Ooit was het een woest, leeg en ondoordringbaar moerasgebied, dat vanaf de Middeleeuwen door avonturiers werd getemd om de metersdikke veenlagen te ontginnen en als brandstof te gelde te maken, toen hout steeds schaarser werd. De talloze arbeiders die er werk vonden bij het graven van de afvoerkanalen en het turfsteken zelf, maakten het veen tot een welvarende streek, hoewel zij zich vaak onder erbarmelijke omstandigheden door het verraderlijke veen moesten ploegen. Zij vormden één van de ankers van de sociaal-democratische traditie in dit deel van Nederland, die in zekere zin tot op de dag van vandaag voortduurt. Zelfs bij de laatste parlementsverkiezingen vormden de Veenkoloniale gemeenten het laatste plukje rood in een overwegend groene-blauwe kaart.

De afgraving van het `bruine goud' bracht het gebied tot in de negentiende eeuw veel welvaart, maar toen kwam er steenkool beschikbaar dat goedkoper was en ook beter brandde. De nieuwe economische motoren werden de zetmeelaardappel, het strokarton en de scheepsbouw. Die laatste industrie kwam op rond centra als Hoogezand, Veendam en de Pekela's als opvolger van de turfschepenbouwers die zich aan de kanalen hadden gevestigd. Toch kelderde de welvaart in de twintigste eeuw. De moderne schepen werden te groot voor de werven aan de binnenwateren, het strokarton verdween en de zetmeelaardappel levert traditiegetrouw weinig werk op. Ook het steunbeleid van de overheid hielp niet, al zette Philips in de jaren vijftig een fabriek neer in Stadskanaal, waar relatief veel mensen van buiten de streek op afkwamen.

De huizen en tuinen langs de kanalen rond Stadskanaal, Wildervank of Veendam zien er verzorgd uit. Wie daarnaar in de Veenkoloniën op zoek gaat, vindt geen armoede, dichtgetimmerde boerderijen, afbraakwijken, wegroestende scheepswerven of verlaten loodsen waar weer en wind vrij spel hebben, ook al noemde stedenbouwkundig adviseur Martin Dubbeling onlangs Veendam nog de ,,treurigste plaats van Nederland''.

,,Sociaal-economische malaise op het platteland is niet zichtbaar zoals in oude stadswijken'', zegt Harm van der Veen, oud-directeur van het Veenkoloniaal Museum in Veendam, oud-raadslid (PvdA) in die gemeente en voormalig Statenlid in Groningen. ,,Dat mensen niet in het openbaar klagen, betekent niet dat er geen problemen zijn'', weet Van der Veen. ,,Veenkolonialen vallen hun gebied niet graag af. De inkomens zijn de laagste in Nederland, maar de mensen wonen best aardig omdat er veel ruimte is. Iedereen heeft een tuintje, er kraait geen oproer, de mensen zijn niet boos.'' Nog niet – maar ze zouden zich wel zorgen moeten maken, vindt Van der Veen, als de Veenkoloniën niet wil vervallen tot een ,,reservaat voor ouderen''. De boerenbedrijven leveren weinig werk op. ,,Ik zie weinig perspectieven als er niets verandert. Je ontkomt er niet aan om werkgelegenheid te scheppen door de vestiging van bedrijven.''

Alle recente adviezen over het gebied gaan over een verbreding van de economische basis, bijvoorbeeld door in dit akkerbouwgebied veeteelt te introduceren. De eerste veehouders uit de overvolle veeprovincie Brabant zijn al gearriveerd, zoals de buurman van Klaas Wigchering in Oud-Annerveen. Maar ook de akkerbouw moet verbreden, bijvoorbeeld door te zoeken naar vormen van tuinbouw of iets anders dan aardappelen. Sommige boeren zijn inderdaad overgegaan op lelies, of op de grove tuinbouw – spruiten, prei, broccoli, noem maar op. ,,Maar de afzetmarkt daarvoor is beperkt'', zegt Wigchering. ,,Boeren in dit gebied houden bovendien niet van het fijne werk, consumptieaardappels die je stuk voor stuk moet controleren. Ze willen grof werk, extensieve landbouw met de machine, zoals met fabrieksaardappelen. Van werken met de handen houden ze hier niet.''

Het gebied zal niet kunnen ontkomen aan uitbreiding van de industrie en de dienstensector, die nog nauwelijks aanwezig is in Oost-Groningen. Maar een pleidooi voor het aanleggen van bedrijventerreinen in de Veenkoloniën staat gelijk aan vloeken in de kerk. ,,De boeren hier zijn niet al te innovatief, ze hebben een rotsvast vertrouwen in de aardappel'', zegt Harm van der Veen. ,,Men vertrouwt erop dat de EU-steun voor de aardappelmeelindustrie zal blijven bestaan, omdat Brussel het niet zou aandurven de hele regio te laten vallen.''

Veel bewoners zijn bang dat de plannen voor `structuurversterking' van de Veenkoloniën betekenen dat het naar Nederlandse begrippen ongekend lege gebied straks Randstedelijke trekjes krijgt. Het is vergelijkbaar met de vrees van veel Groningers voor de aanleg van de zweeftrein naar Amsterdam, die lang niet door iedere noorderling als een louter economische kans wordt gezien, maar ook als een vervoermiddel van grote drommen westerlingen.

,,Als de gemeentebestuurders hier de vrije hand krijgen, bouwen ze de Veenkoloniën helemaal vol met woningen en bedrijfsterreinen'', zegt akkerbouwer Klaas Wigchering. ,,Meer inwoners betekent meer status, denk ik, maar wij willen onze dorpen en de openheid houden, zonder industriegebieden, snelwegen en parkeerterreinen. We hebben al twee gaswinningsstations van de NAM hier in de buurt, dat is meer dan genoeg.''

De vrees dat alles anders wordt, leeft ook bij historisch geograaf en kenner van de Veenkoloniën, Hans Elerie, van de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe (BOKD). ,,In het verleden zijn in de Veenkoloniën al veel fouten gemaakt. Zo zijn op veel plaatsen de kanalen van de turfschippers gedempt en zijn er wegen aangelegd voor het vrachtvervoer over de weg. Met het verdwijnen van het water zijn het hart en de ziel weggehaald.'' Planologen, vooral uit het westen van Nederland, bestempelden de streek altijd als `asociaal', zegt Elerie. De lintdorpen moesten van hen een kern krijgen, ook al was iedereen er tevreden mee.

Elerie vindt dat er goed geluisterd moet worden naar de bewoners in de Veenkoloniën. ,,Het beeld dat in ambtelijke kringen in het westen van Nederland bestaat van de Veenkoloniën, is per definitie negatief. Misschien omdat men vindt dat het te ver van de Randstad ligt. In de Veenkoloniën zelf zijn de mensen tevreden met hun manier van leven in een wijds land. Van hen hoeven er geen snelwegen, industrieterreinen en grote attractieparken te komen. Waar in Nederland heb je nog zoveel ruimte als hier?'', zegt hij.

De Groningse gedeputeerde Jansen, die gisteren koningin Beatrix tijdens haar werkbezoek bijpraatte over de problematiek in de streek, weet dat de mensen hier trots zijn. Zij noemt de angst voor het volbouwen van de Veenkoloniën ,,ongegrond''. ,,De rust en de leegte zijn er over tien jaar nog'', verzekert zij. ,,We zullen heel strikt zijn met de bouw van woningen.''

Voorlopig is het nog niet zover. De plannen zijn nog plannen, ondanks de `Agenda voor de Veenkoloniën' die de betrokken overheden onlangs hebben gepubliceerd. ,,Mooie plaatjes en kleurige kaartjes, en `tsjakka'-verhalen over problemen die eigenlijk kansen zouden zijn'', schreef landbouweconoom Dirk Strijker van de Rijksuniversiteit Groningen er over. Voor veel Veenkolonialen blijft het daarbij. ,,Laatst zei iemand uit de Randstad: wat is het hier rustig op de weg'', vertelt Klaas Wigchering aan de keukentafel in Oud-Annerveen. ,,Laat de mensen in de Randstad vooral blijven denken dat er voorbij Zwolle niets meer is. Het leven is goed hier.''