Vechten met een hogedrukpan

Even was Nepal vorig jaar wereldnieuws door de woeste schietpartij van kroonprins Dipendra. De burgeroorlog die daarop volgde is vergeten. Hoewel, in België stapte deze week een minister op, omdat ze had ingestemd met de export van mitrailleurs naar Nepal. De rebellen geloven nog altijd in Marx en Mao.

Het regent, mistflarden jagen over het vliegveld van Katmandu. De steward is het wachten zat, opent de deur, steekt zijn hoofd uit de opening en kijkt waar de trap blijft. ,,De benzine is zeker weer eens op'', zegt hij lachend. ,,Ze gebruiken rijst als brandstof.'' Het voertuig kruipt naar ons toe, geduwd door een tiental Nepalezen. Op de trap staat een militair, wijdbeens. Hij houdt zijn zware mitrailleur met beide handen stevig vast. De laatste halve meter overbrugt hij door het vliegtuig binnen te springen. ,,Geen foto's, geen vragen'', schreeuwt hij in staccato Engels. De steward heft verbaasd zijn armen op.

,,Microfoon!'' blaft de militair en even later schettert zijn stem door de cabine. De passagiers mogen buiten geen foto's maken, en ze mogen ook geen vragen stellen. ,,Het Nepalese leger heeft besloten dat het cadeau van de Amerikaanse president staatsgeheim is. Daarom mag u niet die kant opkijken.'' Hij gebaart met zijn arm. ,,En u mag er ook met niemand over spre-ken!'' Ik heb Nepal vaak bezocht. Per vliegtuig vanuit Delhi, Bangkok en Singapore, in auto's en bussen uit India, lopend over hoge bergpassen vanuit Tibet, kwam ik het land binnen, maar dit welkom is nieuw.

In de verte ontwaar ik een grijs vrachtvliegtuig van het Amerikaanse leger, omringd door militairen. Vorkheftrucks lepelen pallets met fonkelnieuwe machinegeweren uit het laadruim – de eerste opbrengst van premier Deuba's bedelreis naar Engeland en de Verenigde Staten. Leger en politie hebben ze nodig in het conflict met de maoïstische rebellen die sinds het midden van de jaren negentig de overheid met geweld bestrijden.

Eenmaal voorbij de zandzakken en het scheermesjesprikkeldraad van de wegversperringen beland ik in het Katmandu dat mij vertrouwd is. Koeien op de weg, walmende `tempo's' – zwarte driewielers –, overvolle toeterende autobussen. De bijrijders lopen ernaast en slaan met hun handen tegen de deuren om aan te geven dat de chauffeurs zonder botsen kunnen doorrijden. In de toeristenwijk Thamel schallen luidsprekers van de winkels die illegale cd's verkopen, verkopers steken blikjes tijgerbalsem en houten fluiten opdringerig door het open raam van de taxi en sissen de prijzen, westerse mountainbikers zigzaggen over straat. Er is niets veranderd sinds mijn laatste bezoek, een jaar geleden.

Maar al gauw zie ik, dat dat schijn is. Hotels zijn leeg, in restaurants kijkt het personeel verveeld naar de televisie, de geluiden van ratelende naaimachines waarmee T-shirts worden geborduurd, ontbreken. 's Avonds is er een avondklok, zwaarbewapende militairen en agenten bewaken de straten.

Alleen jonge rugzaktoeristen bezoeken het land nog. ,,Ze hebben alle tijd, maar geen geld'', klaagt een trekking-agent, ,,en ze hebben ons niet nodig, want ze reizen zelfstandig.''

De rijkere toerist, meestal deelnemer aan een georganiseerde reis, blijft al een jaar weg. Het komt door 11 september, zeggen de Nepalezen. Maar ze houden zichzelf voor de gek.

Op 2 juni vorig jaar richtte kroonprins Dipendra, dronken en stoned, met een automatisch geweer een bloedbad aan in het koninklijk paleis. Nadat hij zijn familieleden, onder wie zijn vader, koning Birendra, zijn moeder, broer en zus had doorzeefd met kogels, liep hij de paleistuin in waar hij zichzelf een kogel door het hoofd schoot. De bevolking was in paniek en vertwijfeling. In het najaar startten de maoïsten een reeks bloedige aanslagen, met als doel de nieuwe koning Gyanendra van de troon te stoten en de regering en het parlement te verjagen. Daarvoor in de plaats zou Nepal een kasteloos, revolutionair maoïstisch bewind moeten krijgen. Parlementsleden, militairen, agenten, corrupte burgers en ambtenaren werden vermoord, overheidsgebouwen, telefoon- en elektriciteitscentrales opgeblazen, banken geplunderd. De overheid vocht terug, eind november 2001 werd de noodtoestand afgekondigd.

Communistische politici, journalisten en mensenrechtenactivisten werden gevangengenomen. Inmiddels staat de teller op drieduizend doden. Hoewel de rebellen het niet gemunt hebben op toeristen – hooguit worden geld en camera's gestolen – mijden westerse vakantiegangers sindsdien het Himalaya-rijk en gaan ze naar vergelijkbare exotische landen zoals Thailand en Vietnam.

Een andere belangrijke Nepalese inkomstenbron, de productie van tapijten, is vijf jaar geleden al weggevaagd, nadat in Europa en Amerika bekend was geworden dat die duizenden tapijtdraadjes werden geknoopt door kindervingertjes, waarna de verkoop werd geboycot. Ontwikkelingshulp houdt het land economisch overeind. Maar ook dit laatste financiële draadje wordt dunner, want veel van het geld voor het arme deel van de 25 miljoen Nepalezen verdampt door corruptie.

Afgesneden hoofden

,,De maoïsten?'', zegt een hoge militair, ,,we hebben ze weer teruggejaagd naar de districten waar ze vandaan komen.'' Aan de muur van zijn kantoor in een buitenwijk van Katmandu hangt een grote landkaart. Met een stok wijst hij naar roodgekleurde vlekken in het westen. ,,Het leger heeft ze omsingeld en geïsoleerd. Hun aanvoerwegen vanuit India zijn afgesneden, na de moesson zijn ze allemaal vermorzeld.'' Hij draait met zijn hak over de vloer. ,,Tienduizend, twintigduizend. Waar we over na moeten denken, is waar we ze moeten laten. We zullen nog een heleboel gevangenissen moeten bouwen.''

,,Hoe is het in Mustang?'', vraag ik. Het is een gebied dat ik vaak bezocht.

,,Alles onder controle'', zegt hij zonder te aarzelen.

,,En Gorkha en Langtang?'' Deze districten liggen niet ver van Katmandu en The Kathmandu Post schreef dat bij een schotenwisseling twee militairen en acht maoïsten waren gedood.

,,Incidenten, stelt niets voor.''

,,Solukhumbu?'' Dat is het district ten zuiden van de Mount Everest, het gebied waar de sherpa's wonen, een van de meest welvarende streken.

,,Hoezo?'', zegt de militair argwanend.

,,Ik wil het gebied rond de berg Numbur verkennen. Ik las dat...'' Hij heft zijn hand op en schudt het hoofd.

,,Salleri'', zeg ik nog. Het is de hoofdplaats van het district, volgens de kranten vielen maoïsten van alle kanten het stadje aan. Militairen verdedigden zich, honderden rebellen zouden zijn gedood, hun hoofden werden afgesneden en in een ravijn gegooid. Die aanval was de directe aanleiding voor het uitroepen van de noodtoestand.

,,Allemaal opgeblazen verhalen. We hadden daar wat problemen. Van november tot maart. Maar die rebellen zijn gedood, gevangengezet en verjaagd.'' Hij klinkt zelfverzekerd. ,,Het kleine beetje schade is hersteld en alles is nu net als vroeger. Solukhumbu is voor het leger een makkelijk district. U begrijpt toch ook wel dat er geen sherpa te vinden is die een terrorist zal helpen. Solokhumbu is weer helemaal veilig.''

's Avonds spreek ik een Nepalese journalist. ,,Al die overwinningen van leger en politie?'' Hij schudt het hoofd. ,,We publiceren wat ze opgeven.'' Het is een monotone reeks op de voorpagina's van de kranten. Tegenover elke gedode agent of militair staan vier à vijf dode maoïsten. ,,We kunnen het zelden controleren, omdat de meeste aanslagen en vuurgevechten zich afspelen tussen de bergen in het verre westen, en daar hebben we geen verslaggevers.'' Hij zucht. ,,Soms weten we zeker dat de getallen niet kloppen, maar toen we dat een keer publiceerden, kregen we gelazer met het ministerie van Defensie. We stoppen er sindsdien geen tijd meer in, en schrijven dagelijks `het ministerie verklaart dat...'. Elke lezer weet dat het niet klopt wat er dan volgt.''

Wegdek vol gaten

Een taxi brengt me naar het oosten, van Katmandu naar Jiri, het eindpunt van de tweehonderd kilometer lange weg door de heuvels. De weg, aangelegd door Zwitsers en vijftien jaar geleden opgeleverd, was ooit het toonbeeld van vooruitgang. Nu zit het wegdek vol gaten, halverwege is het asfalt zelfs kilometerslang compleet verdwenen. Een paar keer treffen we wegblokkades, waar militairen de bagage controleren. Zeven uur duurt de rit, door bossen en over hellingen waar op lapjes grond, gestapeld in terrassen, tarwe wordt geoogst. De stengels worden op de weg neergelegd, de autobanden rijden de korrels los.

In Jiri heeft de chauffeur geen tijd om thee te drinken, hij wil nog bij daglicht terug zijn in Katmandu. De afgelopen winter hielden maoïsten hem in het donker aan. Hij moest zijn geld en twee jerrycans met reservebenzine achterlaten. Opgelucht reed hij verder en meldde bij de eerste militaire wegversperring wat hem was overkomen. Militairen sleurden hem uit de auto, schopten hem bont en blauw en lieten hem tot de ochtendschemer geboeid op de weg zitten. Dat zou hem afleren de rebellen te steunen, zeiden ze.

Terug in Katmandu geloofde niemand zijn verhaal. De benzine had hij zeker verkocht en de roepies verzopen. Zijn baas dreigde hem aan te geven bij de politie. Alleen door de schade te vergoeden – meer dan een week loon – kon hij dit voorkomen.

Skistok

De moesson is in aantocht, 's middags regent het meestal. De volgende morgen vertrek ik om vijf uur uit Jiri. Achttien jaar geleden volgde ik hetzelfde pad. Toen was ik met zeven teamleden, een vijftiental klimsherpa's en ruim driehonderd dragers op weg naar de Everest. De plaatsen staan in mijn geheugen gegrift: Shivalaya, Thodung, de Deurali-pas, Bhandar, Kinja.

De morgennevel trekt op, jongens en meisjes in blauwe uniformpjes, op weg naar school, passeren me en roepen pesterig ,,namaste, namaste'' (hallo, hallo), meestal gevolgd door een dwingerig ,,pen, pen.'', waarop ze hun hand ophouden voor een potlood.

De derde dag, voorbij Kinja, zigzagt het pad tweeduizend meter steil omhoog naar de Lamjura-pas. In de buurt van het dorp Sete, 2.000 meter hoog, verlaat ik een theehuis en zwoeg verder. Het pad is smal. Ik hoor het geluid van voeten die dalen, stap opzij om de tegenliggers te laten passeren, en kijk op om `namaste' te zeggen. Een man passeert me, hij heeft haast. Een sliert van mensen volgt hem, dicht op elkaar. Tien, twintig, even niemand, en dan weer een groep. Ze kijken strak voor zich uit. Sommigen dragen kleine rugzakken waar de stelen van pannen uitsteken, anderen dragen oude geweren met grote houten kolven, en gordels met kogels. De meesten zijn jong, een jaar of zeventien, achttien. Een wat oudere man stapt op me af. Hij draagt een groen camouflagepak, op de boorden van zijn overhemd zijn rode slips genaaid, op zijn pet staat een rode ster. Met één hand grijpt hij mijn skistok beet die ik als wandelstok gebruik, en zegt met een vlakke stem: ,,Wij zijn het Revolutionaire Leger.'' Met zijn vrije hand neemt hij zijn pet af, veegt met zijn mouw het zweet van zijn voorhoofd en wijst naar een meisje dat hinkend naar beneden sukkelt. Haar hoofd is omzwachteld met wit verband, een been is gespalkt. ,,Deze stok is van haar.''

,,Hoezo?'', zeg ik verbouwereerd en ik houd mijn skistok stevig vast.

,,Wij zijn maoïsten'', zegt hij in goed Engels. Achter hem passeert een meisje, ze draagt een T-shirt met een afbeelding van Madonna. Op haar rug staat `Sexy beast'. Ze draagt slippers, haar teennagels zijn roodgelakt. ,,Deze stok is van de maoïsten'', zegt de man en rukt aan de stok. Maar ik trek zo hard terug dat hij zijn evenwicht verliest en loslaat.

,,Dit is geen communistische stok'', zeg ik zo zelfverzekerd mogelijk. Hij kijkt me verbaasd aan, knikt, doet een paar stappen opzij, zodat hij weer in de rij staat. Hij salueert en loopt door.

Aan de rij lijkt geen einde te komen. De meeste maoïsten – het zijn er honderden – doen alsof ze me niet zien. De wapens, de kleding, de aangeleerd stoere houding – is dit het rebellenleger waarvoor premier Deuba moest overleggen met president Bush?

Een meisje in een oud, veel te wijd, Brits Gurkha-uniform, met in iedere hand een hogedrukpan, komt voorbij. Eerst kijkt ze me zo neutraal mogelijk aan, maar wanneer ze ziet dat ik haar bestudeer, lijkt ze te ontdooien en lacht. Anderen beginnen grappen te maken, sommigen willen dat ik ze fotografeer. Maar dat wordt me even later verboden door een man met een Nike-petje. Hij zegt dreigend dat de camera in beslag is genomen. Ik knik en stop de camera in mijn broekzak. Hij salueert, draait een kwart slag en loopt houterig door.

De volgende dagen ontmoet ik meer maoïsten. Groepjes van tien, twintig, maar ook maoïsten alleen, met een houding alsof ze niets te vrezen hebben. Ik drink thee met hen, we spreken over het kastenstelsel en het communisme. Wanneer ik begin over Marx, Lenin en Mao, wordt steevast het rode boekje van Mao tevoorschijn getoverd en zeggen ze dat daarin alle antwoorden staan.

De bevolking reageert gelaten. In theehuizen wordt de rebellen zwijgend thee geschonken, maar wanneer ze eenmaal zijn vertrokken, wordt gezegd dat ze slecht zijn. In Junbesi hoor ik dat de hotelletjes twee dagen lang werden bevolkt door de maoïsten die ik ontmoette. Buiten hebben ze muren volgekliederd met leuzen, het is verboden ze te verwijderen. Zelfs de leuzen op de boeddhistische stupa moeten blijven staan, het zijn verwensingen aan het adres van het Amerikaanse imperialisme en de Indiase expansie.

Ik ga van het hoofdpad af en volg een klein pad naar het noorden, naar de voet van de berg Numbur.

In Junbesi was me verteld over een yak-hut tussen twee meertjes. Van de eigenaar mag ik er overnachten.Ik kan de hut niet meteen vinden in de dichte mist. Dan hoor ik plotseling gezang, begeleid door trommels. Ik ga die richting uit, en dan sta ik ineens temidden van bouwsels van gestapelde stenen, afgedekt met blauwe, groene en rode dekzeilen. In het midden staat de yakhut, ernaast wappert een rode vlag. Het is een rebellenkamp! Ik schrik, maar de jongens en meisjes die me tegemoet lopen, reageren even geschrokken op mijn verschijning. Een man in een groen uniform komt naar me toe. Hij draagt een mitrailleur, de kinband van zijn witte brommerhelm zit stevig vastgegespt en hij stelt zich voor als de commandant. In de hut geeft hij me thee. Naast foto's van Indiase popsterren hangen de portretten van Mao en van Prachanda, de leider van de Nepalese maoïsten. Antennedraden zijn aan de dakspanten bevestigd, ze zijn verbonden met radiozenders en -ontvangers. De commandant zegt dat ik zijn gast ben, zolang ik wil. Fotograferen mag ik niet.

De volgende dag schuif ik af en toe aan in de tent waar les wordt gegeven. Marxisme, wapens en munitie zijn de onderwerpen. In het keukenverblijf wordt niet alleen gekookt en gegeten, maar worden ook voortdurend geweren gedemonteerd, geolied en weer in elkaar gezet. Wanneer ik een vraag stel, krijg ik korte, ontwijkende antwoorden.

Eén meisje spreek ik langer. Ze is een sherpa, achttien jaar. Op de lagere school bleek dat ze goed kon leren, ze ging naar een college in Katmandu, een Amerikaans echtpaar betaalde. Ze heeft geen geld om naar de universiteit te gaan. In haar hoofd rommelt het. Slogans wisselt ze af met noodkreten over haar eigen toekomst. ,,Wat moet ik doen? Deze regering is slecht.'' En ,,als ik terugkeer naar huis, word ik uitgehuwelijkt''. Ze laat me zien hoe je van een hogedrukpan een bom maakt: een explosief dat eruit ziet als klei, een lont en stenen tot de rand. Deksel erop en klaar.

,,Heb je zelf gedood?'', vraag ik.

Ze bloost. ,,Ja, in Salleri. Een paar maanden geleden. Drie agenten'', ze stamelt. ,,Met maar drie kogels. We moeten zuinig zijn met kogels.''

Zandzakken

Vier dagen later tref ik in Salleri, de hoofdplaats van het district Solokhumbu, voor het eerst weer Nepalese militairen en agenten. Ze hebben zich teruggetrokken in een kamp vijftig meter boven het stadje. Het is omgeven door prikkeldraad en zandzakken, de geweerlopen steken vervaarlijk uit de wachttorens. In het hele district, twee keer de provincie Utrecht, hebben leger en politie zich op drie plekken geconcentreerd: Salleri, Lukla en Namche. De rest van het gebied is het domein van de rebellen. Het stadje is gehavend. In de hoofdstraat en op de helling staan zwartgeblakerde ruïnes, elektriciteitsdraden zijn gebroken, de rafels van gekleurde telefoondraden wapperen in de wind.

Bij het invallen van het avondschemer gaan alle huizen op slot. Vanaf een uur of negen galmen voetstappen over de straat, er wordt gezongen en er klinkt gelach. Het zijn de maoïsten, zegt de eigenaresse van het hotel waar ik logeer. Ze vertelt over 25 november vorig jaar. De hele nacht lag ze met de kinderen onder de tafels in het restaurant. Ze imiteert de geluiden: ,,ratatat, kboem, kboem.'' Het was een aanval van honderden maoïsten. De verkeerstoren van Phaplu – het nabijgelegen vliegveldje –, de bank, de gevangenis, het gerechtshof, de elektriciteitscentrale en de telefooncentrale werden met hogedrukpanbommen opgeblazen. Het militaire kamp en de politiepost werden omsingeld. De militairen hielden stand, maar de politie gaf zich over. De agenten werden geboeid, in een rij gezet en geëxecuteerd, net als het districtshoofd.

De hele nacht duurde de slag. 's Morgens was het stadje bezaaid met doden, van de overheidsgebouwen restten slechts de ruïnes, de bank was leeggeroofd. De hoofden van de meer dan honderdvijftig gedode maoïsten waren door hun kameraden verminkt of afgehakt en in de rivier gegooid. Ze doen het om herkenning en de vanzelfsprekende wraak van de overheid op familieleden te voorkomen. De vrouw van het hotel haalt diep adem. ,,Ik ken een maoïst, een meisje, een nichtje van mijn man. Die nacht heeft ze drie agenten doodgeschoten.'' Ze staat op en richt een denkbeeldig geweer. ,,Pang, pang, pang.'' Ze gaat weer zitten. ,,Daarna heeft ze de hele nacht met een groot mes de hoofden van haar dode vrienden afgesneden en hun gezichten bewerkt. Ik moet iedere dag aan haar denken, want toen ze nog in Katmandu op school zat, zei ze altijd dat ze wilde studeren voor chirurg.''