Ontspoorde jeugd

,,Een springend punt'' met het vorige paarse kabinet. Zo betitelde VVD-onderhandelaar Zalm eind juni het thema van de binnenlandse veiligheid in het strategisch akkoord van het nieuwe kabinet. Dat is niet typisch voor Nederland. In Frankrijk heeft president Chirac tijdens zijn herverkiezingsrace eerder dit jaar zwaar ingezet op het thema veiligheid. Hij stelde een minister van Binnenlandse Zaken aan die al direct de bijnaam kreeg van premier flic (hoofddiender). Critici waren er snel bij hem een ,,repressieve razernij'' in de schoenen te schuiven. Vooral omdat hij zelfs zeer jeugdige delinquenten tot een ,,gevaarlijke klasse'' zou verklaren: een samenscholingsverbod voor flatgebouwen en herintroductie van gesloten jeugdinrichtingen die eerder niet zo'n succes waren gebleken waar het ging om resocialisatie.

In Nederland is het springende punt iets moeilijker aan te wijzen. Toenmalig staatssecretaris Kalsbeek (PvdA, Justitie) kwam vlak voor het eind van de paarse regeerperiode met een omvangrijke nota over jeugdcriminaliteit. Zij kwalificeerde dit probleem als ,,een serieuze bedreiging voor de maatschappelijke orde''. Over de hele linie zijn de cijfers redelijk stabiel. Maar er zijn wel zorgwekkende verschuivingen te noteren, vooral de toename van geweld tegen personen, de steeds jongere leeftijd van (allochtone) verdachten en het grotere aandeel van meisjes. Wat dit laatste betreft zei Kalsbeek dat de regering voor een raadsel staat.

Het beleidsstuk bevatte twee dozijn voorstellen voor ,,intensivering en innovatie''. Deze kwamen bovenop de 37 aanbevelingen die de Commissie-Mondfrans al in 1994 had gedaan. Deze hebben in de woorden van de vorige staatssecretaris ,,veel elan gegenereerd''. Misschien wel een beetje te veel van het goede, afgaande op een verzuchting van de Amsterdamse onderzoeker Noorda juist deze week. Er is een waar ,,projectenparadijs'' ontstaan. De concurrentie om de subsidies wint het daarbij volgens zijn waarnememing wel eens van de levensvatbaarheid.

De grote opgave blijft, zoals de Algemene Rekenkamer tegelijk met de verschijning van de paarse beleidsnota signaleerde, de samenhang tussen zorg, begeleiding en straf. Bijna de helft van de onderzochte dossiers van jeugdige ,,first offenders'' had een open einde: er viel niet na te gaan of een sanctie was opgelegd en zo ja, welke. Voor deel zal dit wel een administratieve kwestie zijn, zoals het officiële verweer luidde. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat de aanpak van de ontspoorde jeugd onvoldoende sluitend is. Dat betekent overigens niet dat dan maar gegrepen moet worden naar het middel van de opsluiting, zoals de nieuwe Franse regering doet. Met reden waarschuwde de Franse oud-minister Badinter dat de gevangenis – zeker voor de jeugd – geldt als leerschool van de misdaad. ,,Deze klas moet men niet verdubbelen.'' De opdracht is juist het niet zo ver te laten komen door vroegtijdig, snel en consequent in probleemgezinnen te interveniëren.

Nederland is daar voorzichtiger mee dan andere Europese landen, signaleert een recente studie van het onderzoekscentrum van Justitie. Er moet duidelijk wat mis zijn, voordat de overheid ingrijpt in het gezinsleven. Ook het bij voorbaat aanleggen van dossiers over kinderen die wel eens zouden kunnen ontsporen, stuit op weerstand. Het gevaar is niet denkbeeldig dat zo'n geregistreerd kind zich naar dat negatieve merkteken gaat gedragen. Het zijn kenmerken van de Nederlandse aanpak om zuinig op te zijn. Ze scheppen wel extra verplichtingen voor de inrichting van de jeugdzorg. Het vorige kabinet heeft voorgesteld een wettelijk recht op jeugdzorg te introduceren, onder regie van de bestaande Bureaus Jeugdzorg. Dat betekent wel een nieuwe reorganisatie voor instanties die nog bezig zijn hun plaats te vinden.

De nieuwe staatssecretaris Ross-Van Dorp (VWS) maakte zich naar aanleiding van het verontrustende rapport van de inspectie jeugdzorg over het dodelijke gezinsdrama in Roermond al direct sterk voor het instellen van ,,bemoeizorg'' – een voet tussen de deur bij crisisgezinnen. Deze aanpak trekt een extra wissel op de juridische kwaliteit van de jeugdbescherming – en die staat toch al onder druk. Het gaat hier om ingrijpende interventies die een precieze rechtvaardiging vergen.

Ook praktisch spant het er om. De harde werkelijkheid is er een van wachtlijsten: voor dagopvang, bij de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs bij de meldpunten kindermishandeling. Over een springend punt gesproken.