Muzikaal, organisch, ruw en spreektalig

Vannacht is het weer zover: De televisienacht van de poëzie. De derde. Ononderbroken kan men dan achter elkaar alle uitzendingen van de Dode Dichters Almanak van het afgelopen seizoen zien. Het principe daarvan is heel eenvoudig: er is een dichter in beeld, die dood is, hoeft niet per se allang dood te zijn (Gregory Corso, die vanavond te zien is, is nog helemaal niet zo erg dood, pas in 2001 gestorven) en die dichter leest of zegt een gedicht van zichzelf. Meer niet. Maar ook niet minder: het idee is niet om poëtische beelden te laten zien terwijl de dichter leest, geen camera's die afdwalen naar murmelende beekjes, ruisende blaadjes, gevoelige vogeltjes of kleine meisjes in tegenlicht. De dichter en niets dan de dichter.

Zo ziet men dan bijvoorbeeld Kees Stip een korte lezing houden over het lichte vers (,,Het lichte vers moet licht zijn en vers'') die hij illustreert met kakelvers eigen werk. Je ziet Lucebert die dreigend voorleest dat er nu bij allerlei ander taai ongerief ook dat van de ouderdom is gekomen en die dicht over `de conversatie' die men moet verdragen of beter `het gekléts'.

Wie kijkt moet vast stellen dat er geen enkele dichter is die géén speciale stem heeft voor het voordragen van poëtisch werk. Vooral de Amerikanen, die allemaal redelijk eentonig lezen, hebben toch een bepaalde klank in die voordracht, een lichte hint naar zangerigheid, een neiging om woorden iets te rekken zodat ze aan elkaar verbonden kunnen worden, zodat voortdurend duidelijk is dat er sprake is van iets muzikaals en organisch, hoe spreektalig of ruw het soms ook is wat ze zeggen. Het duidelijkst is die manier van voordragen te horen bij de haperende Anne Sexton.

Het eigenaardige en tevens aantrekkelijke van zo'n poëzienacht is ook het kriskras-karakter ervan: het ene moment zit je in de jaren zestig en zie je de beetje deftig tuttige Clara Eggink lezen, het volgende moment kijk je naar de gekwelde Paul Celan of de al even gekwelde Ingeborg Bachmann die zo precies en zo koel hun moeilijke en ondraaglijke poëzie voorlezen, terwijl je vlak daarvoor Robert Frost uit zijn hoofd een lang rijmend gedicht hebt zien voordragen over het verlangen een diep donker bos in te gaan, of W.H. Auden met zijn doorgroefde kop over het schild van Achilles hebt gehoord. Níets hebben ze gemeen met de doorrazende beatpoet Allen Ginsburg, ver is zijn wereld weer verwijderd van die van Anna Achmatova. Dat is het betoverende van zo'n reeks. De kijker wordt meegevoerd in een wonderbaarlijke dichtcarrousel.

De derde televisienacht van de poëzie, VPRO, Ned.3, 1.12-2.53u.