Kosmisch, komisch, Calvino

Calvino's lichtheid maakte hem tot de leesbaarste der postmodernisten, stelt Pieter Steinz in deel 35 van zijn stoomcursus literaire fictie.

`Het is bekend dat het een schrijver is die van boek tot boek erg verschilt. Juist aan deze verschillen herken je dat hij het is.' Aldus Italo Calvino over `Italo Calvino', de schrijver die in de roman Als op een winternacht een reiziger de lezer toespreekt. Wie het oeuvre van de in Cuba geboren Italiaan (1923-85) achter elkaar bekijkt, ziet inderdaad dat er weinig `lijn' in zit, of het moest zijn dat de romans en verhalen gaandeweg steeds vrolijker, filosofischer en experimenteler worden. Het grimmige neorealisme van de partizanenroman Het pad van de spinnennesten (1947) werd in de jaren vijftig opzijgezet voor de sprookjesachtige epiek van de drie novellen in Onze voorouders. De licht-absurdistische verhalen van Marcovaldo (1963) werden halverwege de jaren zestig gevolgd door de fantastische science-fiction van Kosmikomische verhalen. Waarna Calvino zich met drie baanbrekende romans in de jaren zeventig bewees als een postmodernist die niet alleen grappen uithaalde met literaire conventies, maar ook op een leesbare manier filosofeerde over de kracht van de herinnering en het belang van hoop in een boze wereld.

Raccontini, verhaaltjes, noemde Calvino zijn werk. Hij excelleerde op de korte baan; zelfs de veelgeprezen `romans' De onzichtbare steden (waarin Marco Polo een vijftigtal droomsteden beschrijft aan de legendarische Kublai Khan) en Als op een winternacht... (met zijn tien verschillende openingshoofdstukken) zou je verzamelingen van korte verhalen kunnen noemen. Daar staat tegenover dat Calvino's verhalenbundels doorgaans gewijd zijn aan één persoon en een grote eenheid vertonen. Marcovaldo, dat ook als kinderboek te lezen is, beschrijft in twintig seizoenen het leven van een dromerige fabrieksarbeider die wanhopig op zoek is naar de natuur in de grote stad. Palomar (1983) gaat over Marcovaldo's spiegelbeeld: geen dromer maar een denker, die van iedere mug die hij ziet in gedachten een mammoet maakt.

Lichtheid, snelheid, precisie, duidelijkheid en veelvormigheid – dat waren volgens Calvino de kenmerken van goede fictie. Deze vijf, maar de meeste van deze is de lichtheid. Want die maakt Calvino's filosofische schetsen net zo overrompelend als de `ficciónes' van zijn inspirator Jorge Luís Borges en bijna zo indrukwekkend als de absurdistische verhalen van hun beider erflater Franz Kafka. Calvino's invloed op de moderne literatuur is dan ook enorm: tientallen schrijvers, van Umberto Eco tot Angela Carter en van Salman Rushdie tot Jeannette Winterson, verklaarden zich aan hem schatplichtig; en toen een paar jaar geleden volop geëxperimenteerd werd met `hypertext' (romans met doorklikpunten, waarmee de lezer zelf het verloop van het veraal kan sturen) gold de auteur van Als op een winternacht... als de hipste dode uit de wereldliteratuur.

En hier te lande? Calvino's invloed op de Nederlandse literatuur mag dan minder groot zijn dan die van zijn naamgenoot Calvijn, maar in de jaren zeventig kwam een hele generatie auteurs op die de Italiaanse postmodernist als lichtend voorbeeld zag. De meesten daarvan (Nicolaas Matsier, Dirk Ayelt Kooiman, Frans Kellendonk) zaten bij het tijdschrift De Revisor. Maar ook de (kinder)boeken van Joke van Leeuwen zouden er zonder het oeuvre van de maestro heel anders uit hebben gezien. Van Leeuwens veelgeciteerde compliment aan Calvino – `hij wilde de zware wereld nadenkende lichtheid geven' - is dan ook de beste karakterisering van zijn nalatenschap.

Volgende week: `Radetzkymarsch' van Joseph Roth.