Integratie is een cultureel probleem

In het Nederlands overheidsbeleid is jarenlang onvoldoende onderkend dat de gebrekkige integratie van ongeveer tweederde van de Turken en Marokkanen te verklaren is uit de culturele achterstand van deze groep, vindt Ayaan Hirsi Ali.

Het grootste deel van de naar Nederland gekomen moslims (Turken en Marokkanen en een deel van de asielmigranten) heeft niet bewust voor Nederland gekozen, maar is uit nood hier gekomen. Deze migrant is afkomstig van het platteland, waar de tribale traditie het sterkste is. In zijn repertoire van kennis, symbolen, gewoonten, opvattingen, vaardigheden, gedragsregels, kortom cultuur, verkeert hij nog in de premoderne tijd.

Zijn of haar culturele achtergrond heeft drie belangrijke kenmerken. Allereerst een hiërarchisch-autoritaire instelling. Ten tweede een patriarchale familiestructuur waarin de vrouw een reproductieve functie heeft en gehoorzaam is aan de man; als zij dat niet doet maakt ze de familie te schande. Een derde element is het groepsgebonden denken. Daarin gaat de groep altijd voor het individu, bestaat sterke sociale controle, en wordt de eigen eer hartstochtelijk bewaakt, zozeer, dat mensen bezeten raken van het vermijden van schande en schaamte – vermijding en liegen zijn aanvaardbaar, want in een schaamtecultuur is het negeren of botweg ontkennen van wat werkelijk is gebeurd heel gewoon. Deze traditionele denkwereld is doordrenkt met versteende religieuze opvattingen.

Dat hierdoor grote integratieproblemen zouden gaan ontstaan, viel te verwachten. Een voorbeeld is de disfunctionaliteit van autoritair denken op het werk. Wanneer een Marokkaanse magazijnchef van een grote supermarkt leiding geeft aan zijn ondergeschikten door middel van intimidatie en verbaal geweld, handelt hij volgens in zijn groep en cultuur geldende normen. Hij probeert op die manier zijn autoriteit te vestigen en zijn eer te beschermen; het door `goed overleg' aansturen van medewerkers zou een teken zijn van zwakte. Een aanwijzing die begint met `zou je alsjeblieft' is in zijn cultuur iets wat een lagere in rang tegen een hogere zegt en niet andersom. Vanuit het referentiekader van zijn Nederlandse medewerkers is het gedrag van de Marokkaanse magazijnchef onwerkbaar en onacceptabel.

Als de Marokkaan zich niet aanpast, als hij niet zijn oude waarden afleert en die van zijn Nederlandse medewerkers overneemt, is hij de verliezer. Dan is hij niet te handhaven en wordt dus werkloos. Dit soort situaties komt dagelijks voor. Het leidt tot veel wederzijds onbegrip en wantrouwen, waarbij sommige moslims zich over `discriminatie' beklagen en werkgevers maar liever `geen Marokkaan' in dienst nemen.

Voor een moslim in Nederland is daarom het principe van redelijk overleg en eventueel onderhandelen – met winst en verlies voor beide partijen – bruikbaarder dan het maximalisme van de autoritaire houding. Het halen van het eigen gelijk of het najagen van eigenbelang is in Nederland ingebed in sociale codes en houdt rekening met individuele rechten en belangen van collega's. In feite betekent dit dat de nieuwkomer zijn identiteit als individu moet ontwikkelen en dat hij afstand moet nemen van de traditionele eer- en schaamtecultuur.

Een ander goed voorbeeld is de verhouding tussen mannen en vrouwen. Wat op dat vlak in de sterk patriarchale waardenoriëntatie van de meeste moslims als normaal wordt gezien, is in de moderne samenleving ongepast. De maagd/hoercultus, het zoveel mogelijk zonen willen krijgen, de besnijdenis van meisjes (meestal verdedigd met een beroep op het geloof), het uithuwelijken van dochters het zijn allemaal attributen van de eermentaliteit. Als groep (dus zowel vrouwen als mannen) zullen moslims deze praktijken én de achterliggende waarden moeten opgeven. Wanneer dat te langzaam of in onvoldoende mate gebeurt, komt van de emancipatie van moslims weinig terecht.

Toen de arbeidsmigratie uit Marokko en Turkije niet een tijdelijk verschijnsel bleek en duidelijk werd dat moslims, evenals andere allochtonen van niet-westerse origine overigens, permanent in Nederland zouden blijven, is een debat ontstaan over hoe ze het beste te laten integreren in de Nederlandse samenleving. In dit debat werden grofweg vier posities ingenomen.

Zij die uitgaan van het politiek-juridische standpunt menen dat legaal gevestigde nieuwkomers, om volwaardig deel te kunnen uitmaken van de Nederlandse samenleving, alle sociale en politieke rechten en plichten moeten krijgen die autochtonen al bezitten. Voor het overige hoeft de overheid niet zo erg veel te doen, al blijft bestrijding van discriminatie en racisme belangrijk.

Probleem in deze visie is de kloof tussen formele rechten enerzijds en daadwerkelijke inburgering, participatie en emancipatie anderzijds. Het gebruik van burger- en politieke rechten is in de praktijk heel gering. De opkomst tijdens verkiezingen is bijvoorbeeld bedroevend. Door de geringe oriëntatie op de Nederlandse samenleving is kennis van de eigen rechten ook niet groot.

Paradoxaal genoeg worden bovendien formele rechten in de praktijk gebruikt voor het tegenovergestelde van integratie, namelijk het zich als gemeenschap op basis van geloof (etniciteit) afscheiden van de samenleving. Het meest tragische voorbeeld is het door de overheid gesubsidieerde islamitische onderwijs. Ook het gemak waarmee men recht kan krijgen op sociale voorzieningen heeft nadelen. Veel migranten zijn daardoor afgegleden naar een bijna permanente uitkeringssituatie.

De politiek-juridische benadering houdt geen rekening met de achtergrond van de moslims in Nederland. Als referentiekader hanteert men de eigen geschiedenis, waarbij politieke en burgerrechten de uitkomst zijn van een eeuwenlange strijd tussen groepen. Omdat de mentale afstand tussen moslimimmigranten en de Nederlandse samenleving onvoldoende is onderkend, heeft deze benadering bovenstaande nadelen niet zien aankomen.

Met de sociaal-economische invalshoek worden allochtonen uit niet-westerse landen gedefinieerd als kansarme burgers. De overheid moet daarom gelijke kansen scheppen op het gebied van onderwijs, arbeid en inkomen, gezondheidszorg en huisvesting. De achterstanden op deze gebieden worden niet mede gezocht in de culturele of geloofskenmerken van de groep zelf, maar in sociaal-economische factoren.

Voordeel van deze benadering is dat zij oog heeft voor uitsluitingsmechanismen en `blinde' segregatieprocessen, zoals concentratie in arme volkswijken en de vorming van zwarte scholen. Maar ook deze benadering heeft als nadeel dat ze voortkomt uit de Nederlandse sociale geschiedenis, met name uit de strijd tussen arbeid en kapitaal in de 19e en vroeg 20ste eeuw, en de vorming van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Daardoor emancipeerde de arbeidersklasse tot een burgerlijke middenklasse. De achtergrond van ongelijkheid is voor de meeste moslims in Nederland anders dan die van de autochtone onderklasse van vroeger.

Daardoor heeft deze invalshoek twee bezwaren. In de eerste plaats leidt zij tot slachtofferdenken, waarbij alle problemen aan externe factoren (de overheid, de Nederlandse samenleving) worden toegeschreven, en tot vorming van een negatieve groepsidentiteit, waarbij de wereld buiten de eigen groep wordt gewantrouwd. Dat veroorzaakt over en weer spanningen en verwijten.

Bovendien verzachten voorzieningen van de verzorgingsstaat als bijstand en huursubsidie de gevolgen als men maatschappelijk niet kan meekomen. Om te overleven bestaat geen absolute noodzaak zich aan de Nederlandse samenleving aan te passen.

Dan is er het multiculturalisme, dat streeft naar het vreedzaam naast elkaar bestaan van meer culturen op voet van gelijkheid en volgens regels van wederzijds respect, binnen één staatsverband. Deze visie is oorspronkelijk ontwikkeld om de rechten van inheemse volken te waarborgen in landen als Canada (Indianen en Inuit) en Australië (Aboriginals).

In Nederland zijn er nog steeds velen die deze visie verdedigen. Zo verwerpt de Rotterdamse rechtsfilosofe M. Galenkamp voorstellen, zoals gedaan voor premier Balkenende, om zaken als de Nederlandse normen en waarden, de mensenrechten of grondrechten, en de scheiding van kerk en staat als fundamentele punten te nemen voor integratiebeleid. Dat is volgens haar onmogelijk, want Nederland is geen homogene samenleving meer; onwenselijk, want het leidt tot polarisatie en aantasting van de sociale cohesie; en onnodig.

Het bezwaar tegen het multiculturalisme is dat de schadelijke gevolgen worden ontkend van culturele en religieuze normen die de emancipatie van moslims afremmen. Dat is geen wonder, want in deze gedachtegang zijn culturele verschijnselen niet te typeren in termen van `beter' of `slechter'; ze zijn eigenlijk onvergelijkbaar. Het bevorderen van een islamitische zuil bestendigt onbedoeld de slechte positie van moslimvrouwen. De subsidiëring van bijzonder onderwijs maakt eigen scholen en aparte internaten voor meisjes en jongens mogelijk. En het zijn deze scholen en internaten waar jonge meisjes gesocialiseerd worden voor hun toekomstige taken als moeder en huisvrouw.

De vierde denkrichting gaat ervan uit dat ook sociaal-culturele factoren een rol spelen bij integratieproblemen. Zo stelt de Rotterdamse econoom Arie van der Zwan dat sociaal-economische factoren alleen een onvoldoende verklaring vormen voor integratieproblemen. Sociaal-culturele factoren zijn evenzeer van belang, omdat ze in wisselwerking met sociaal-economische achterstanden de integratieproblematiek veroorzaken.

Zo maakt hij onderscheid tussen allochtonen uit niet-westerse landen. Aan de ene kant zijn er de Surinamers en Antillianen, aan de andere kant de Marokkanen en Turken.

Met verwijzing naar een studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid concludeert hij dat de eerste twee groepen een onderklasse vormen die nauwelijks verschilt van de onderklasse bij autochtone Nederlanders. Maar bij de Marokkanen en Turken constateert hij kwantitatieve en kwalitatieve verschillen, die voortkomen uit hun sociaal-culturele positie.

Slechts eenderde van de Marokkanen en Turkse bevolkingsgroepen kan gerekend worden tot de geïntegreerde bevolking. Voor tweederde is het integratieperspectief ronduit slecht. De ene helft van deze groep bestaat uit mensen boven de 45 van wie het overgrote deel niet meer werkt. De andere helft bestaat uit de tweede en derde generatie Turken en Marokkanen. Van der Zwan typeert deze groep als ongrijpbaar: ,,De verankering in de eigen etnische groep is er niet meer, terwijl de integratie in de maatschappij er nog niet is en het uitzicht hierop twijfelachtig moet worden geacht.'' Deze kwetsbare, ontwortelde groep staat enerzijds bloot aan de verleidingen van de westerse maatschappij (vrijheid, drugs, uitgaanscultuur), maar ontbeert de gedragscontrole-mechanismen van die maatschappij. Sociale ontsporing dreigt: onderwijs en arbeidsparticipatie kunnen leiden tot sociale verheffing, maar criminaliteit en lonkende fundamentalistische groeperingen vormen concurrerende `routes'.

Het is verhelderend om het begrip `integratie' te begrijpen als een civilisatieproces van specifieke groepen moslimmigranten binnen de westerse samenleving. Hierdoor wordt het schijndebat over de gelijkwaardigheid van de culturen overbodig. Of de migrant het een dan wel het ander moet aannemen of opgeven, wordt bepaald door de eisen die de ontvangende samenleving stelt om goed te kunnen functioneren.

Bovendien beseft de migrant dat hij zich op een bepaald niveau van ontwikkeling bevindt en vooruit kan komen door zich te gedragen naar de waarden en normen van het land van aankomst. Dat is aantrekkelijker dan het gevoel dat hem iets wordt afgepakt.

Een derde voordeel van het praten over een civilisatieproces is dat autochtonen zich makkelijker in de migrant kunnen verplaatsen. Men zal meer begrip voor elkaar kunnen opbrengen, wetende dat de migrant voor een ingrijpende mentale omslag staat. De grote massa van autochtonen heeft meer dan honderd jaar de tijd gehad om zich te vereenzelvigen met moderne waarden. Zij verkeren daardoor in een andere, voor de westerse samenleving geschiktere mentale wereld dan de man of vrouw die binnenwandelt uit het Rifgebergte of het platteland van Anatolië. Het ontkennen van deze realiteiten werkt averechts, maar deze vorm van begrip is wel heel iets anders dan migranten aanmoedigen tradities en waarden voort te zetten omdat die nu eenmaal ooit zo gegroeid zijn.

Het is jammer dat de Nederlandse overheid zo lang de culturele dimensie van de achterstandssituatie van moslims heeft genegeerd. De meest invloedrijke benaderingen van de afgelopen jaren waren de politiek-juridische, de (zuiver) sociaal-economische en de multiculturele. Alledrie waren ze sterk gekleurd door typisch Nederlandse politieke, economische en culturele tradities. Zo staan de multiculturalisten positief tegenover de vorming van een `moslimzuil' omdat ze de illusie hebben dat zo'n zuil de emancipatie zal bevorderen - `bij de katholieken werkte dat toch ook?'. Dit is een gevaarlijke miskenning van de culturele achtergrond van het overgrote deel van de moslims in Nederland. In een samenleving als de Nederlandse zal zo'n zuil de trend om zich steeds meer te richten op de `eigen groep' alleen maar versterken.

Alleen een benadering die de wisselwerking tussen sociaal-economische achterstanden en culturele factoren onderkent, biedt perspectief op een passende probleemstelling. Beide fronten moeten in onderling verband worden geanalyseerd. Anders komt er van de integratie weinig terecht. Met name voor de zwakste groepen onder de Nederlandse moslims, de vrouwen en meisjes, zou dat catastrofale gevolgen hebben.

Drs. Ayaan Hirsi Ali is wetenschappelijk medewerker van de Wiardi Beckman Stichting. Dit is een bewerkt deel van van een uitgebreider artikel in het in november te verschijnen Jaarboek voor het Democratisch Socialisme.