Iedereen moet weer omschakelen

Voor hoogopgeleide starters op de arbeidsmarkt zijn het geen eenvoudige tijden. Het aantal vacatures slinkt met de dag en werkgevers schroeven hun eisen weer flink op. Ook de inhoud van het werk verandert: voor mooie projecten is nu weinig belangstelling, het gaat er nu vooral om wie het beste de kosten terug kan brengen. Het motto voor werknemers: blijven zitten waar je zit.

ADVOCATUUR: BLANKE-MANNENCULTUUR

Ook in de advocatuur is het mode om minder te willen werken. In Advocatenblad, het blad voor de eigen branche, loopt sinds begin dit jaar een serie met de titel `De Balans', waarin advocaten vertellen hoe ze hun vrije tijd besteden. Uit veel verhalen blijkt de afkeer voor de in de advocatuur nog steeds gebruikelijke lange werkweken. ,,Ik werkte zeker 60 uur per week en hield dat vol op routine. (...) In de weekenden hoorde ik vanachter mijn raam de vogeltjes fluiten, maar ik had geen tijd om naar buiten te gaan'', zei de 50-jarige mr. Tjakko Knoop Pathuis eerder dit jaar in Advocatenblad. De advocaat besloot zijn partnerschap bij Houthoff Buruma er aan te geven: sinds enkele maanden woont hij in een wijnboerderij in Frankrijk.

Het verhaal van Knoop Pathuis illustreert hoe het korter werken bij de grote advocatenkantoren wordt opgevat: twintig of vijfentwintig jaar extreem lange weken maken, en daarmee zoveel geld verdienen dat men rond zijn vijftigste het kantoor kan verlaten. Een reguliere werkweek van vier of zelfs drie dagen is in de advocatuur nog steeds verre van gebruikelijk, zo blijkt uit het onderzoek De balie in beeld dat de Orde van Advocaten onlangs publiceerde. Er heerst een blankemannencultuur, zo schreef het Advocatenblad naar aanleiding van het rapport. Allochtonen zijn er nog steeds nauwelijks te vinden en hoewel het werknemersbestand inmiddels voor 36 procent uit vrouwen bestaat, is de werkwijze nog nauwelijks veranderd. ,,Hoewel twee van de drie kantoren de mogelijkheid bieden om parttime te werken, maken maar weinig advocaten hiervan gebruik, omdat collega's in de praktijk weinig begrip hebben voor deeltijdwerkers.''

De laatste jaren hebben advocatenkantoren zich behoorlijk moeten inspannen om goede werknemers te vinden. Het aanbod van net-afgestudeerde juristen is in tien jaar tijd gehalveerd, terwijl de vraag naar juridische diensten in de maatschappij steeds meer toeneemt. Die krappere arbeidsmarkt uitte zich in behoorlijk hogere salarissen voor stagiaires en advocaat-medewerkers. Ook de vestiging in Nederland van een aantal grote Angelsaksische kantoren heeft de salarissen omhoog gedreven. Die ontwikkeling lijkt tot stilstand te zijn gekomen, zo meldt de site Rechtenstudie.nl, een initiatief van juridische uitgeverij KSU. Redenen zijn de salarisbevriezingen voor startende advocaten in Engeland en de VS en het feit dat de internationalisering van de Nederlandse advocatuur dit jaar is gestagneerd.

In Nederland zijn ongeveer 11.000 advocaten werkzaam. Ieder jaar kunnen er zo'n duizend jonge juristen instromen. Iedereen moet eerst een verplichte stageperiode van drie jaar doorlopen. Daarna wordt de advocaat aangenomen als medewerker. Die periode duurt meestal vijf tot zeven jaar. Daarna wordt bezien of de medewerker als partner in de maatschap wordt opgenomen. Op dit moment zijn er circa 2800 advocatenkantoren in Nederland. Ongeveer 18 kantoren hebben meer dan zestig advocaten in dienst. Deze kantoren richten zich doorgaans vooral op het (internationale) bedrijfsleven. De middelgrote kantoren (zes tot zestig advocaten bedienen vaak (middel)grote ondernemingen, maar ook particulieren. Er zijn ook kleine kantoren (één tot vijf advocaten) die volledig zijn gespecialiseerd, bijvoorbeeld in strafrecht. De meeste kleine kantoren hebben echter een algemene praktijk.

Bron: Nederlandse Orde van Advocaten

ZORG: KOPLOPER BANENGROEI

De zorgsector is koploper in de banengroei. Nergens steeg het aantal vacatures de afgelopen jaren zo snel als in deze branche. Volgens Prismant, een organisatie die onderzoek doet naar ontwikkelingen binnen de zorgsector, is die trend vooral toe te schrijven aan de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. Neem alleen al de huisartsen. Terwijl het percentage mannelijke huisartsen tussen 1997 en 2001 licht daalde, nam het aantal vrouwelijke huisartsen in diezelfde periode toe met liefst 27,4 procent. Ook het aantal vrouwelijke tandartsen en apothekers stijgt gestaag.

Ziekenhuizen spelen handig in op die feminisering van de gezondheidszorg. Zo biedt een handvol medische centra OK-assistentes en verpleegsters tegenwoordig dienstenroosters aan die goed te combineren zijn met lestijden en vakanties van schoolgaande kinderen. Dankzij deze `moedercontracten' blijven de operatiekamers bezet die anders leeg hadden gestaan en worden de wachtlijsten niet langer maar korter.

Het is te hopen dat dit soort acties het imago van de branche iets kunnen opvijzelen. Want de zorgsector gaat al jarenlang door voor een van de minst attractieve werkgevers. Niet alleen kinderopvang en deeltijdwerk zijn er slecht geregeld, maar ook de uurlonen stijgen tergend langzaam. En dat terwijl de werkdruk – mede door de wachtlijsten – toeneemt. Deze niet florissante uitgangspositie leidt vooral in de thuiszorg, de ouderenzorg en de gehandicaptenzorg tot een hoog ziekteverzuim.

En een toenemende mobiliteit. Zo stapte 5,4 procent van alle werknemers in de zorgsector in 2000 over naar een andere branche. Belangrijkste motieven: behoefte aan ander werk en betere ontplooiingsmogelijkheden. Maar ook de lage beloning wordt steeds vaker als reden voor het vertrek aangedragen. Volgens Prismant denkt 53 procent van alle `uittreders' dat het vertrek onder bepaalde voorwaarden voorkomen had kunnen worden.

Vorig jaar bracht de commissie-Van Rijn een onderzoek uit naar de arbeidsmarkt in de zorgsector. De uitkomst was weinig hoopgevend. Om grote personeelstekorten te voorkomen moest het ministerie van VWS onder meer zorgen voor betere salariëring, betere opleidingsmogelijkheden, meer kinderopvang, flexibeler werktijden en meer om- en bijscholing. In recent afgesloten CAO's is een aantal van die punten terug te vinden. Maar het tij is zelfs volgens de meest optimistische zorgdeskundigen niet meer te keren.

In totaal zijn in Nederland 37.000 artsen werkzaam, van wie ruim driekwart in de curatieve zorg. Er zijn naar schatting 35.000 paramedische beroepsbeoefenaren werkzaam, onder wie zo'n 17.000 fysiotherapeuten. In 1999 waren er ruim 388.000 personen werkzaam in de verpleging en verzorging.

Vrijwel alle beroepsgroepen kampen met personeelstekorten. Volgens het Capaciteitsorgaan voor de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen moet het aantal opleidingsplaatsen aanzienlijk worden uitgebreid om in 2010 aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Diverse opleidingsinstituten gingen daar al toe over. Zo zal de instroom bij huisartsenopleidingen tussen 2000 en 2004 toenemen van 360 naar 670.

Door het toenemende aantal herintredende moeders in de verplegende en verzorgende beroepen is in die sector sprake van een vergrijzing van het werknemersbestand. Naar verwachting zal het aantal 50-plussers toenemen van tien procent nu tot ruim achttien procent over tien jaar.

ICT: DE GROTE UITTOCHT

Was de automatiseringsbranche tien jaar geleden nog vooral aantrekkelijk voor werknemers die gek waren op techniek, nu trekt de sector een bonte stoet van werknemers aan. Vanuit alle opleidingsniveaus en -richtingen zijn mensen gaan werken bij wat inmiddels ICT heet – een afkorting die staat voor informatie- en communicatietechnologie.

Veel van de werknemers die de laatste jaren hebben gekozen voor een baan in deze sector hebben zich niet laten leiden door een liefde voor pc's of telefoonkabels, maar door de hoge salarissen, de optieregelingen, de mooie lease-auto's en de riante opleidingsmogelijkheden. Het zijn ook deze werknemers die de ICT-bedrijven nu massaal ontvluchten.

Niet alle ICT-werknemers slagen erin de eer aan zichzelf te houden. Vooral de laatste maanden schrappen veel bedrijven in de IT en de telecomsector zelf drastisch in hun personeelsbestand. Jonge internetbedrijven, die twee jaar geleden maandelijks hun personeelsbestand verdubbelden, zijn nu failliet of draaien hoogstens nog met een paar man. Ook bedrijven als KPN en PinkRoccade, organisaties waar loyaliteit tussen werkgever en werknemer hoog wordt geacht, kiezen nu noodgedwongen voor geforceerde ontslagrondes.

Is het nu raadzaam om de hele ICT-sector maar te mijden? Nee, natuurlijk niet. Automatisering en telecom zijn niet meer weg te denken uit de moderne maatschappij. De enige echte verandering is dat de ICT-sector voorlopig weer lijkt op een gewone bedrijfstak: er wordt niet meer gevochten om werknemers, het draait nu om klanten en kapitaalverschaffers. Dat is vooral wennen voor de jongeren die de afgelopen jaren zijn begonnen met werken. De oudere werknemers in de automatisering kennen deze situatie al van begin jaren negentig, toen bedrijven als IBM voor het eerst in hun bestaan massaal mensen ontsloegen. Toen voerden ook sombere verhalen over de toekomst van de IT de boventoon — prognoses die iedereen drie, vier jaar later was vergeten.

De laatste jaren zijn relatief veel werknemers in de ICT voor zichzelf begonnen: als freelancer konden ze een hoger uurtarief incasseren, terwijl ze meer vrijheid hadden om hun eigen tijd in te delen. Die rooskleurige situatie is voorlopig voorbij, stelde het Britse onderzoeksbureau OTR begin deze zomer vast. Pas in 2006 zal het klimaat voor freelancers volgens OTR weer net zo gunstig zijn als in 2001. Verder blijkt uit het onderzoek dat er de komende drie jaar vooral veel vraag zal zijn naar ICT'ers met kennis van netwerken en naar werknemers die expertise hebben op het gebied van elektronisch zakendoen. De derde groep bestaat uit beveiligingsdeskundigen; organisaties worden zo afhankelijk van hun computernetwerken dat het steeds belangrijker wordt te voorkomen dat onbevoegden hier toegang toe kunnen krijgen.

Het aantal werknemers in de ICT-sector is de laatste tien jaar snel gestegen. Harde cijfers zijn moeilijk te geven omdat het zo'n diverse branche is. In het verleden sprak men van de IT-sector en de telecomsector, maar door de technologische ontwikkelingen zijn veel functies in elkaar overgevloeid.

De telecommarkt werd tien jaar geleden in Nederland beheerst door KPN. Door de komst van mobiele telefonie en nieuwe vormen van kabeltechnologie zijn er nu veel verschilende partijen op de markt.

Ook de IT-branche is niet meer eenvoudig in te delen. Voorheen bestond de branche enerzijds uit bedrijven die hardware- of software produceerden of leverden, en anderzijds uit bedrijven die werknemers leverden voor computerafdelingen en uit gespecialiseerde adviseurs. Vooral de producenten en leveranciers zijn nu ook adviseur.

TECHNIEK: EVEN ADEMPAUZE

Voor ingenieurs was het de afgelopen jaren niet bepaald moeilijk om aan werk te komen. Zowel in de bouw als in de industrie, traditionele afnemers van technisch geschoold personeel, draaiden de meeste bedrijven in de tweede helft van de jaren negentig op volle toeren. Het toch al vrij schaarse aanbod aan `techneuten' moest door de werkgevers bovendien gedeeld worden met allerlei nieuwe kapers op de kust. Vooral in de IT en de telecomsector boden bedrijven fel tegen elkaar op om goede kandidaten binnen te halen.

Tot opluchting van veel werkgevers is aan die overspannen situatie even een einde gekomen. Maar de kans is groot dat het om niet veel meer dan een adempauze gaat. Dat er meer ruimte op de arbeidsmarkt voor technici is, komt louter en alleen door het feit dat er door de slechtere economie (tijdelijk) minder vraag is vanuit werkgevers. Het aanbod aan geschikte technici krimpt nog steeds met de jaren – als de economie weer aantrekt, zullen bedrijven als vanouds vechten om de steeds schaarsere sollicitant met kennis van techniek. Voor bedrijven is het zorgwekkend om te zien dat het aantal studenten in technische richtingen blijft afnemen (zowel op universitair als op hbo-niveau), terwijl de uitstroom in relatief sterk vergrijsde sectoren als de bouw en de metalektro de komende jaren juist toeneemt. Bedrijven als Philips beschikken over de mogelijkheid om in ieder geval een deel van de benodigde technische expertise in het buitenland te zoeken, maar voor kleinere en middelgrote ondernemingen is die uitweg veelal niet haalbaar.

Uit een onderzoek dat het Koninklijk Insituut voor Ingenieurs (KIvI) vorig jaar publiceerde, bleek dat die schaarsheid ook terug te zien is in de beloning. ,,De salarissen van de universitaire ingenieurs (ir's) in Nederland zijn in de meeste gevallen hoger dan die van andere academici'', schreven de onderzoekers. De onderzochte groep ingenieurs verdiende gemiddeld ruim 64.500 euro per jaar, zo'n 8.600 euro meer dan andere academici. Voor oudere ingenieurs was het verschil nog groter: 76.360 euro tegenover 61.800 voor het gemiddelde. Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat afgestudeerden in de chemie en civiele techniek (weg- en waterbouw) het meeste verdienen, terwijl bedrijfskundigen, informatici en industrieel ontwerpers wat achterblijven. Reden hiervoor is dat dit `jonge' studierichtingen zijn en dat de daarin afgestudeerde ingenieurs nog relatief vaak in de beginfase van hun loopbaan zijn.

Ondanks het feit dat werkgevers die op zoek zijn naar hoogopgeleide technici kampen met een gering aanbod aan geschikte kandidaten, worden de eisen die vanuit de organisatie worden gesteld, steeds hoger. Bedrijven hebben steeds meer behoefte aan werknemers die technisch goed geschoold zijn, maar die daarnaast ook beschikken over commercieel gevoel. De hele dag in een laboratorium of achter een computerscherm zitten, is nog maar voor weinig technici weggegelegd. De meesten moeten tegenwoordig een groot deel van hun tijd besteden aan overleg met partijen binnen en buiten de eigen organisatie.

Een branche als de techniek is lastig in kaart te brengen. Ir's (universitair) en ing's komen eigenlijk in alle sectoren terecht. Volgens de internetsite van Intermediair zijn de meestgevraagde functies voor hoogopgeleiden: projectmanager, production engineer, R&D manager, process engineer, technisch consultant, milieuconsultant, sales engineer en constructeur/tekenaar. Het KIvI is de beroepsvereniging voor TU-ingenieurs, terwijl hbo-ingenieurs zich kunnen aansluiten bij de Nederlandse Ingenieursvereniging NIRIA.

BANKEN: WERELDBEELD BIJSTELLEN

Nederlandse bankiers hebben hun wereldbeeld de afgelopen twee jaar drastisch moeten bijstellen. In 2000 leek het er nog op dat banken hun geld in de toekomst vooral zouden verdienen met het begeleiden van emissies en met advieswerk voor grote zakelijke klanten. Het verstrekken van kredieten – de basis waarop het bankbedrijf eeuwenlang rustte – was nauwelijks nog interessant. Ook de dienstverlening aan particulieren zou volgens de bestuurders van de meeste grootbanken steeds verder inkrimpen.

Die situatie is nu volledig omgedraaid. Een bank als ABN Amro, die nog niet zo lang geleden aankondigde zich volledig te gaan richten op het internationale zakenbankieren, snijdt nu heel diep in juist die activiteiten. En andere Nederlandse banken volgen dit voorbeeld. Die ontwikkeling is van grote invloed op de arbeidsmarkt voor bankiers, zegt Maarten Reuchlin, partner bij het executive search bureau Vroom & Van den Heuvel, dat gespecialiseerd is in werving en selectie van managers en specialisten in de financiële dienstverlening. ,,Wij zien in de sector duidelijk een hernieuwde belangstelling voor kredietverlening. De mensen die daar werken, werden eerst een beetje denigrerend `kredietboeren' genoemd, maar nu zit daar het werk en de inkomsten.''

Bankiers die denken eenvoudig hun werkzaamheden te kunnen aanpassen aan de wensen van de werkgever, komen waarschijnlijk bedrogen uit. ,,Het overstappen naar een andere divisie is bij de meeste banken heel moeilijk'', zegt Reuchlin. Voor jonge werknemers in deze branche is het daarom raadzaam heel goed na te denken over wat ze willen en kunnen – vooral op de langere termijn. ,,Banken sturen de loopbaan van hun werknemers heel erg naar de behoefte van de organisatie op dat moment. Verandert die behoefte, bijvoorbeeld omdat de marktsituatie is gewijzigd, dan kan de werknemer er opeens achterkomen dat zijn expertise niet meer nodig is.''

Tot begin jaren negentig stonden banken bekend als de ultieme werkgever. De arbeidsvoorwaarden waren zeer goed, vooral omdat het arbeidsvoorwaardenpakket naast een prima salaris ook bestond uit goedkope verzekeringen en lagere hypotheekrente. Bovendien werd er bij de bank vrijwel nooit iemand ontslagen. Rond 1994 voerden vrijwel alle grootbanken ingrijpende reorganisaties door, waarbij vooral op de binnenlandse kantoren fors in het personeelsbestand werd gesneden. Tegelijkertijd namen de banken veel nieuwe mensen aan voor de divisies die zich richtten op het zakenbankieren. Die werknemers kregen steeds luxueuzere arbeidsvoorwaarden aangeboden, omdat de Nederlandse banken op de arbeidsmarkt steeds feller moesten concurreren met branchegenoten in financiële centra als Londen en New York.

Nu het slecht gaat, komen de zakenbankiers er tot hun schrik achter dat de prijs van die riante salarissen en bonusregelingen is dat ze van de ene op de andere dag op straat kunnen worden gezet. Uit een rondgang langs verschillende werving- en selectiebureaus blijkt dat veel van deze bankiers nu terugkeren naar Nederland. Anders dan ze wellicht zelf hadden gedacht, is het niet eenvoudig hier aan de slag te komen.

Bankiers die overstappen naar het bedrijfsleven komen volgens Reuchlin nogal eens bedrogen uit. ,,Als chief financial officer ben je uiteindelijk toch vooral bezig met de financiële huishouding van het bedrijf. De focus in deze functie is thans gewijzigd van het begeleiden van emissies en het aantrekken van expansiefinancieringen naar kostenreductie. En dat valt een ex-bankier vaak vies tegen.''

ACCOUNTANTS: BEROEP IN OPSPRAAK

Wie een baan zoekt in de accountancy doet dat niet omdat het beroep glamour uitstraalt. Saai, maar betrouwbaar, dat is het beeld van accountants dat tot voor kort in de buitenwereld overheerste. Niet het beste imago om nieuwe werknemers mee aan te trekken, maar wel uitstekend geschikt voor klanten die de buitenwereld duidelijk willen maken dat hun boekhouding in orde is. De recente schandalen in zowel de Verenigde Staten als Nederland rond accountants die bedrijven hebben meegeholpen hun resultaten rooskleuriger voor te stellen, hebben de branche niet in een goed daglicht geplaatst.

Hebben die affaires ook gevolgen voor de arbeidsmarkt? Niet als het gaat om de mensen die nu al als accountant werkzaam zijn, zo blijkt uit de Image & Performance Arbeidsmarktmonitor 2002 Accountancy van marktonderzoeksbureau Blauw. Daarvoor zijn 400 registeraccountants gevraagd naar zaken als hun voorkeur qua werkgever, hun carrièreperspectief en hun beleving van de recente ontwikkelingen in hun branche.

Uit het onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld de Enron-affaire voor de ondervraagde registeraccountants geen reden is om persoonlijke conclusies te trekken. ,,Men is over het algemeen tevreden met het werk en niet van plan op zoek te gaan naar een functie buiten deze branche'', aldus Blauw. Jobhoppers zijn in deze sector toch al niet veel te vinden: ,,Accountants zijn behoorlijk honkvast: gemiddeld werkt men al 5,9 jaar in de huidige functie. Daarbij spannen overheidsaccountants de kroon: gemiddeld zijn zij al ruim 9 jaar werkzaam in de huidige functie, waarbij 41 procent aangeeft dat de overheid ook de eerste werkgever is.''

Toch is er op de arbeidsmarkt wel het nodige veranderd. Al is het maar omdat de 1.600 werknemers die in dienst waren bij de Nederlandse tak van de in problemen geraakte accountantsfirma Arthur Andersen eind april zijn overgenomen door branchegenoot Deloitte & Touche. De Big Five, de vijf kantoren die wereldwijd en ook in Nederland de accountancybranche domineerden, zijn na de razendsnelle ondergang van Andersen teruggebracht tot de Big Four (Ernst & Young, PricewaterhouseCoopers, KPMG en Deloitte en Touche).

Deze kantoren, maar ook kleinere branchegenoten, zijn zich op dit moment aan het beraden op de rol die ze de komende jaren willen spelen. Een belangrijke factor daarbij is de nieuwe, aanzienlijke aangescherpte regelgeving waar accountants zowel in de VS als in Europa aan moeten gaan voldoen. Kern daarvan is dat er een strikte scheiding moet komen tussen advies- en controletaken. Dat staat haaks op de ontwikkeling bij veel accountantskantoren, die juist de laatste tien jaar via overnames en fusies heel veel advieswerk hebben binnengehaald. Ook voor de accountants zelf zal het werk veranderen: op grond van nieuwe regels van de brancheorganisaties NIVRA en NOvAA mogen accountants voortaan niet langer dan zeven jaar hetzelfde bedrijf controleren, mogen partners uit de consultancy-tak niet meer meepraten over de regie van het controlewerk en mogen accountants niet meer én controleren én adviseren over de financiële administratie van hun klanten.

Accountants vallen uiteen in twee groepen: registeraccountants (RA) en acccountant-administratieconsulenten (AA). Er zijn 13.000 RA's in Nederland en ruim 6.500 AA's. Om registeraccountant te worden, moet je een opleiding op universitair nivau afronden, voor accountant-administratieconsulenten is een hbo-opleiding nodig. Veel aankomende accountants combineren studie en werk. Accountants werken in verschillende functies. Allereerst als openbaar accountant, verbonden aan een accountants- of administratiekantoor. Verder als overheidsaccountant bij een accountantsdienst van een overheidsorganisatie. Een gedeelte is werkzaam als interne accountant bij een onderneming. Tot slot werken veel accountants in een financieel-administratieve functie bij overheid of bedrijfsleven. De arbeidsmarktperspectieven zijn goed: het aanbod van mensen met de juiste opleiding is beperkt, terwijl de vraag naar accountants als gevolg van wettelijke verplichtingen ook in economisch slechte tijden op peil blijft.

RECLAME: TOPPEN EN DALEN

Er zijn wel eens betere tijden geweest om een baan te zoeken in de reclame of de marketing. De economische neergang die vorig jaar in de VS en grote delen van Europa is ingezet, heeft een forse weerslag gehad op de reclamebestedingen. Vooral op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie zijn de uitgaven sterk afgenomen: de meeste opdrachtgevers hebben op dit moment veel minder vacatures, terwijl bovendien het `spontane' aanbod van sollicitanten weer stijgt. Maar ook op op het gebied van consumentenreclames schroeven bedrijven hun uitgaven terug: zo zijn vorig jaar voor het eerst in lange tijd de bestedingen aan televisiereclame afgenomen.

Voor de reclamewereld is deze gang van zaken niet nieuw. Reclamemaken is nu eenmaal een zeer conjuncturele aangelegenheid. Als het goed gaat met de opdrachtgever, is de sky the limit, maar wanneer het tegenzit, wordt op het reclamebudget vaak als eerste bezuinigd. Reclamebureaus zijn daarom ook intern hard: stromen de opdrachten binnen, dan worden er veel mensen aangenomen en gaan de salarissen snel omhoog, maar als de inkomsten tegenvallen, worden werknemers zonder pardon op straat gezet — om soms een jaar later zonder problemen weer aangenomen te worden. Directeuren van reclamebureaus wisselen ook regelmatig informatie uit over hun personeel; zo komt het voor dat een copywriter voor wie bij het ene bureau geen plaats meer is, door bemiddeling van zijn eigen baas bij een ander bureau aan de slag kan gaan.

Een ontwikkeling die wel nieuw is, en die de reclamebureaus flink zorgen baart, is de toenemende trouweloosheid van de opdrachtgever. In het verleden duurde de relatie tussen een bedrijf en een reclamebureau tien tot vijftien jaar, nu is dat misschien nog een jaar of vier. Ook wordt tegenwoordig vaker per project een bureau gekozen. Mede hierdoor zijn de bedrijfsresultaten van de leden van de Vereniging van communicatieadviesbureaus (VEA) afgelopen jaar met tien tot vijftien procent afgenomen, zo schreef het weekblad Elsevier dit voorjaar.

Maar ook aan de kant van de opdrachtgevers — de marketingafdelingen, die veelal verantwoordelijk zijn voor de reclame-uitingen — moet er op dit moment hard geknokt worden om binnen de eigen organisatie voldoende budget te houden. Uit een recente publicatie van marktonderzoeksbureau NFO Trendbox onder marketeers blijkt dat in 2000 nog 13 procent van de ondervraagden zei gemiddeld genomen te hard te werken en dat dit in 2001 en 2002 is opgelopen tot 25 procent. Juist als het economisch minder gaat, verwachten leidinggevenden een extra inspanning van de marketingafdelingen. En hoewel de salarissen in deze functiegroep nog niet direct te leiden hebben onder de slechtere marktomstandigheden, is wel duidelijk dat de touwtjes binnen de bedrijven weer strakker worden aangetrokken. Vorig jaar dacht nog 37 procent van de marketingmanagers binnen één à twee jaar meer thuis te gaan werken; dit jaar, zo blijkt uit het onderzoek van NFO Trendbox, is dat nog maar negen procent.

Volgens de branchevereniging VEA zijn in Nederland ten minste 30.000 mensen werkzaam in de commerciële communicatie. Daarvan zit een deel bij algemene reclamebureaus of bureaus die gespecialiseerd zijn in bepaalde taken, bijvoorbeeld arbeidsmarktcommunicatie. Ook in het bedrijfsleven en de overheid komen veel communicatiedeskundigen terecht.

ONDERWIJS: OPVANGEN VERGRIJZING

De onderwijsarbeidsmarkt is de afgelopen jaren onherkenbaar veranderd. Was enkele jaren geleden nog sprake van een (groot) overschot aan leerkrachten, tegenwoordig is het steeds moeilijker voor onderwijsinstellingen om aan personeel te komen. Laat staan goed geschoold personeel. Nu al staat vast dat het aantal afgestudeerden van lerarenopleidingen ontoereikend zal zijn om het komend decennium in de vraag te voorzien. Het is dan ook niet verwonderlijk dat scholen steeds vaker een beroep doen op andere doelgroepen, zoals herintreders en zij-instromers.

Alleen al in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – waar de situatie het meest nijpend is – zijn vorig jaar met steun van het ministerie 250 zij-instromers ingezet. Het gaat om mensen met een hbo- of universitair diploma zonder lerarenopleiding die voor de klas worden gezet op voorwaarde dat zij binnen twee jaar hun onderwijsbevoegdheid halen. Bij de bemiddelingsorganisaties `Word leraar', `OnderwijsBV' en `Career Center Onderwijs', stonden begin vorig jaar 3.000 belangstellenden ingeschreven om als zij-instromer aan de slag te gaan.

De spanning op de onderwijsarbeidsmarkt is vooral een gevolg van de toenemende vergrijzing van het onderwijspersoneel. Onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI, 1999) wijst uit de onderwijssector met stip de meest `verouderde' branch in Nederland is. Liefst 45 procent van de leerkrachten is 45 jaar of ouder. En die vergrijzing zal de komende jaren alleen maar doorzetten. Want het ministerie wil vanaf 1 januari 2003 leraren die na hun 61ste blijven doorwerken, extra gaan belonen. In totaal bereiken 3350 leraren volgend jaar de leeftijd van 61 jaar.

Samen met de zorgsector is de onderwijssector in de publieke opinie gebombardeerd tot minst aantrekkelijke werkgever. En helemaal onterecht is dat niet. De salarissen liggen een stuk lager dan in de particuliere sector, en ook het ziekteverzuim is betrekkelijk hoog. Uit Werkstress in beeld (1999), een onderzoek naar de werkervaringen van 70.000 Nederlandse werknemers, blijkt dat leerkrachten veruit het meest lijden onder hun werk. Het hoge werktempo en de grote werkhoeveelheid en emotionele belasting zorgen voor aanzienlijke werkstress bij leerkrachten, zo blijkt uit het rapport. Meer dan de helft van de WAO'ers die in het onderwijs werkzaam waren, valt in de categorie `psychische klachten' – tegenover eenderde in de marktsector.

Zoals gezegd blijft de spanning op de onderwijsarbeidsmarkt ook de komende jaren groot. Het basisonderwijs heeft in 2003 ongeveer 6500 extra leraren nodig bovenop het reguliere aanbod van de lerarenopleidingen. In het voortgezet onderwijs gaat het om ruim 20.000 mensen in de komende vier jaar. De duizenden herintreders en zij-instromers zullen ongetwijfeld hun steentje bijdragen, maar het blijft water naar de zee dragen.

In onderwijs en wetenschappen zijn momenteel 375.000 mensen werkzaam, waarvan 155.000 in het primair onderwijs, 85.000 in het voortgezet onderwijs, 51.000 in de beroeps- en volwasseneneducatie, 28.000 in het hoger beroepsonderwijs, 52.000 bij universiteiten en 4.000 in de onderzoeksinstellingen. De minister van OC& W is verantwoordelijk voor een toereikend en kwalitatief goed aanbod van onderwijspersoneel.