Het wapen van Hoogeveen

Jaren geleden, toen een onderwijzer nog een onderwijzer was, liet Adrie van Luijk eens iemand naar zijn klas komen

om een praatje te houden over de bijenteelt. De man was secretaris van de plaatselijke imkersvereniging en hij moet een goed verhaal hebben gehad. De mééster was in ieder geval onder de indruk – vooral van de warmtehuishouding in een bijenvolk in de winter.

De temperatuur van een kluit bijen moet bij de 35 graden Celsius blijven. Dat vergt een fijn afgestemde organisatie. Bij afkoeling komen er dieren in beweging. Met de stofwisseling in hun borstspieren neemt ook de warmte toe. De bijen raken verhit en dat straalt af op hun omgeving, daarvan profiteert de hele kluit. Al naar behoefte kun je die zien uitdijen of inkrimpen.

Duizenden dieren die als áán lichaam door het leven gaan – dat wou Van Luijk meemaken. Hij deed een cursus, hij nam een volk, en nog een volk, en is inmiddels zelf secretaris van de plaatselijke imkersvereniging.

In Hoogeveen, waar anders? In Hoogeveen had de postbode op zijn ronde behalve blaffende honden ook zwermende bijen te duchten. In Hoogeveen hebben ze behalve een turfhoop ook bijenkorven opgenomen in het gemeentewapen. Wie in Hoogeveen imkert, imkert in een lange historie.

Al in de zeventiende eeuw gingen turfwinning en bijenhouderij hier hand in hand. Vervening van de woeste gronden werd steevast voorafgegaan door de teelt van boekweit. Boekweit verslond in enkele jaren de overigens waardeloze bovenste bodemlaag en verschafte, tot pap of pannenkoeken verwerkt, voedsel aan het werkvolk. Bijen waren goed om dit gewas te bestuiven en produceerden de honing waaraan datzelfde werkvolk een bijverdienste had. Bittere armoede natuurlijk, een bijenvolk was een kostbaar bezit. En dat is het tot ver in de twintigste eeuw gebleven. Tot die tijd ging de aanzegger niet alleen bij de buren maar ook bij de korven langs om de dood van een imker bekend te maken, en zijn volken werden dan geacht blijk te geven van begrip.

Goed, een hete zomeravond met Adrie van Luijk op klapstoeltjes bij de verenigingsstal. We hadden ook naar de hei kunnen gaan, maar de hei kende ik al, de hei met zijn exorbitante zonsondergangen en zijn intrigerende bijenkasten (waar je toch maar beter uit de buurt kunt blijven; naarmate ze meer honing hebben verzameld, worden bijen feller in de verdediging ervan, en extra fel reageren ze als je toevallig naar alcohol of zeep of zweet ruikt, én bij opkomend onweer).

De verenigingsstal – wat moest ik me daarbij voorstellen? Heel eenvoudig: een soort verlengde marktkraam met een achterwand van hout en een afdak van hout en een rijtje kasten op een tafel, gericht op het open zuidwesten.

Het zoemt er. Het gonst er van de bedrijvigheid en er hangt een geur van honing vermengd met propolis, het harsachtige goedje dat bijen gebruiken om kieren te dichten.

Vlak voor de stal, waar de jonge werksters hun danspassen oefenen, is sedum en klimop ingezaaid, spul waar bijen lang op kunnen vliegen. Verderop staan lindebomen, bijzonder bijvriendelijk. Nog wat verderop liggen de tierige tuintjes van de Hoogeveense nieuwbouw. En om dit alles heen: het barre boerenland. Waar geen vlinders kunnen leven, hoef je ook geen bijen te verwachten. De imkerij gaat in ons land gestaag achteruit.

De vereniging, vertelt Adrie van Luijk, dateert van 1912 en heeft nog 48 leden, die lang niet allemaal een eigen terrein hebben om een kast te plaatsen. Vandaar deze gemeenschappelijke stal.

Allemaal hobby tegenwoordig. Niet zonder passie, niet zonder visserslatijn (dus als je iemand hoort zeggen dat hij 75 pond honing van één volk heeft gewonnen, hoef je hem niet te geloven), maar dat is toch wat anders dan die ellendige hardheid van vroeger.

Met de vervanging van de korf door de kast is het bedrijf trouwens ook voor de bijen een stuk vriendelijker geworden. De korf werd, als je er honing uit wilde halen, over een schoteltje met brandende zwavel gezet. De bedoeling was het bijenvolk te bedwelmen, de praktijk dat het grotendeels omkwam. Bij de korfimkerij had je voortdurend nieuwe volken nodig, daarom lieten de oude imkers ze zo lustig zwermen.

De kast kun je leeghalen zonder de bijen nadeel te doen. Je kunt een geschikte koningin haar volle vijf jaren laten uitdienen. Je kunt een volk splitsen of samenvoegen.

Het verenigingsjaar, vertelt Van Luijk, begint zo ongeveer in maart met de jaarvergadering. Dan kunnen leden intekenen voor het reizen. De imkerij is altoos een nomadische activiteit geweest. Ook die boekweitakkers waren er maar voor een deel van het seizoen. Toen al brachten ze vanuit Hoogeveen de bijen eerst naar de klavervelden in Friesland. Toen met paard en wagen of de trekschuit, nu het aanhangertje achter de auto.

In april met z'n allen naar de omgeving van Giethoorn. Daar heb je volop griendhout, wilgenkatjes. Met stuifmeel bouw je een groot en sterk volk op, met een groot en sterk volk verzamel je daarna de meeste honing.

Als de wilgen zijn uitgebloeid, gaat het naar de Noordoostpolder, fruitbomen. Daarna, in juni, halen de meesten hun kasten naar huis. Maar er zijn er ook die ze naar klaver- of faecilieavelden brengen. Of die doorrijden naar Noord-Groningen om ze in het koolzaad te zetten.

Half augustus naar de hei. Maar dat doet lang niet iedereen, omdat je dan weer helemaal naar de Veluwe moet (dichterbij gelegen heidevelden zijn aan andere verenigingen vergund), omdat heidehoning moeilijk te slingeren is, en omdat de heide vol hangt met spinnenwebben waarin je veel bijen verliest.

,,Je moet'', zegt Van Luijk, ,,vooral leren om goed naar je volk te luisteren. Je komt een stal binnen en je hoort onrust – ze willen gaan zwermen of er is een muis in de kast bezig. Of het blijft juist hartstikke stil – er heerst honger. Dat kan ook middenin de zomer gebeuren. Dan moet je ze bijvoeren. Je verpest de honing, maar je wilt je volk redden.''

,,Dit'', zegt hij, ,,is een beroerd honingjaar. De wilgen waren goed, het fruit was goed, Ik weet niet hoe het komt.''

Eind augustus, de heide in zijn nadagen, maken de imkers zich op om hun volken in te winteren. Ze halen de ramen uit de kasten en laten de honing slingeren, en geven er een suikeroplossing voor in de plaats. Goedkope suiker voor dure honing, dat is de ratio van de imkerij. En de bijen verdelen die suiker weer over de cellen, die vervolgens met een plaatje worden afgedekt. Dat is in feite een extra handeling waartoe je ze dwingt. Ze worden gemanipuleerd, zeker.

Ter bestrijding van de varroa- mijt worden de kasten gedurende twee weken in een walm van mierenzuur gezet en dan gaat het volk zo'n beetje ter ruste. In de loop van de winter vreet het zich van voor naar achter en van boven naar beneden door de kast. Ook bijen kunnen geen warmte opwekken zonder energie te verbruiken. Aan de afgeknaagde dekseltjes, de opengemaakte cellen, het molm dat onder de kast valt, kun je zien hoe ver ze door de voorraad heen zijn. Maar helpen kun je ze dan niet meer. Een volk dat 's winters begint te hongeren, is verloren. Pas als het buiten wat opwarmt, als de krokussen tevoorschijn komen, kan het volk weer iets voor zichzelf doen.

Zo loopt de bijenwinter van oktober tot februari, niet synchroon met onze kalender, wel met de productie van stuifmeel en nectar in de natuur.

Nu moet ik nog zeggen dat ik de bijenhouderij als een vroege vorm van intensieve veeteelt had willen neerzetten. Ik had een paar geestige vragen voorbereid over het dierenwelzijn in deze sector. Maar ik had bij de eerste stap in deze richting al in de gaten dat dat onzin was.

De intensieve veehouderij berust op de exploitatie van dieren die niet gelukkig hoeven te zijn om een verhandelbaar product op te leveren. Met bijen lukt dat gewoon niet. Je kunt ongelukkige kippen houden, je kunt ongelukkige varkens houden, je kunt ongelukkige kalveren houden, maar je kunt geen ongelukkige bijen houden. Bijen zijn daar te driftig voor. Niet te dom, niet te slim, te driftig.