Exoten 3

Hoe eigen moet ons landschap zijn? Die vraag komt op bij het lezen van het artikel `Vreemde stammen' in de bijlage W&O van 17 augustus. Natuurbeheerders, zo lezen we, zijn actief in het uitwieden van exoten als de Amerikaanse eik, de vogelkers (waarbij bedoeld zal zijn: de Amerikaanse, want er is ook een inheemse) en de douglasspar. Geen onbekend verschijnsel, voor wie de opvattingen van ecologen op dit punt kent. Al jaren is de oorlog verklaard aan alles wat groeit en niet van hier komt. Eigen bomen eerst? Als het om mensen ging zou de verontruste burger niet aarzelen het dichtstbijzijnde meldpunt discriminatie te bellen. Maar als het om bomen gaat, is de actieve verwijdering van exoten aanvaard beleid.

Vrijwel alle boomsoorten in het huidige Nederland zijn immigranten van na de laatste ijstijd. De goede oude beuk, bekend uit oud-Germaanse volkssagen, kwam 4.000 jaar geleden naar onze streken. De tamme kastanje `woont' hier al 2.000 jaar. In vergelijking met een mensenleeftijd lijkt het weinig uit te maken of een boom hier twee dan wel vier millennia voorkomt. Voor de ware ecoloog is echter de beuk inheems en de kastanje een exoot. Wie doorvraagt komt er achter dat het niet zozeer gaat om die twintig eeuwen verschil, als wel om het feit dat de beuk hier door `de natuur' gebracht is en de kastanje door `de mens' werd geïmporteerd (om precies te zijn: door de Romeinen, die ook in de noordelijke uithoeken van hun rijk kastanjes wilden eten).

Zoals vaker in de ecologie is de mens de boosdoener. Als de douglasspar door de wind van overzee was aangevoerd, zou hij een kans maken om aan de verwijderingsdrift van onze natuurbeheerders te ontkomen. Maar helaas, deze rijzige conifeer werd in het midden van de 19de eeuw uit Noord-Amerika naar Nederland gehaald omdat hij snel groeide op arme gronden en mooie rechte stammen leverde. Grote oppervlakten onvruchtbaar gebied in Zuid- en Oost-Nederland werden ermee volgeplant. Inmiddels is grootschalige houtproductie bijkans een vloek geworden in natuurminnend Nederland en is de `douglas' met stip onze meest gehate allochtoon.

De praktijk is, dat natuurinstanties namens hun leden of van staatswege uitmaken wie mag blijven en wie wordt omgehakt. Daarbij laten zij zich in hoge mate leiden door het simpele adagium: wat van elders komt moet weg. En dat terwijl nieuwkomers zowel visueel als cultuurhistorisch een verrijking kunnen zijn. De herfstkleur van de Amerikaanse eik en de bloesem van het krentenboompje maken onze bossen alleen maar fraaier. De robinia, inmiddels al ruim twee eeuwen hier aanwezig, is een mooie toevoeging aan onze bossen en cultuurlandschappen: anders maar toch goed aansluitend op onze `inheemse' flora. De douglasspar was anderhalve eeuw geleden de redder van de plattelandseconomie in arme streken. Grote delen van Nederland zouden er geheel anders uit hebben gezien zonder deze nu zo versmade reuzen. Hoe kan het dan, dat zonder veel discussie uitgemaakt wordt dat deze en andere exoten in Nederland geen verblijfsrecht hebben? Is het aanzien van ons landschap niet te belangrijk om de keuze van bomen aan ecologen over te laten?