Een halve eeuw onzekerheid

Lezers die voor zichzelf werken, gaan op een bepaalde leeftijd piekeren over hun oude dag, hun pensioengat, hun tekort. Hoeveel mag ik of moet ik daarvoor opzij leggen, zonder een lijfrenteverzekering te sluiten? Het is een veel gestelde vraag die de betrokkenen zelf moeten beantwoorden. Zij moeten aangeven hoeveel pensioen ze willen ontvangen, wanneer dat moet ingaan, hoeveel mensen ervan moeten leven, enzovoort. Maar hoe moet je dat als midden dertiger weten?

Je huidige inkomen is je enige maatstaf. Wanneer dat krap is, niet ongebruikelijk voor vrije werkers, wil je daar je pensioeninkomen niet op baseren. Andere brandende vragen zijn onder meer: hoe zit het straks met de belasting en hoe plan je de inflatie in? Mensen verwachten antwoorden, maar die zijn niet te geven. Iemand van 35 jaar heeft immers nog een halve eeuw voor de boeg. Wat kan er niet allemaal gebeuren?

Wie vijftien jaar terugkijkt, merkt dat het belastingsysteem voortdurend in beweging is. Het ene kabinet vertroetelt particulieren met fiscaal vriendelijke regelingen, het andere zet daar weer het mes in. In een halve eeuw kunnen we dus nog heel wat verwachten. Tenzij dit kabinet komt met een langetermijnopzet voor een kaal belastingsysteem zonder toeters en bellen, dat heel lang meegaat en waar je als burger op kan vertrouwen.

Dan die gluiperige inflatie. Wie terugkijkt tot de jaren vijftig ziet in die halve eeuw ten minste drie belangrijke, met elkaar verweven trends: inflatie (koopkrachtvermindering), deflatie (koopkrachtvermeerdering) en vooral stijging van de welvaart, economische groei. Deze drie trends zien we ook in de toekomst, maar hoe die zich samen ontwikkelen, welke invloed die hebben op prijzen en inkomens, valt amper te voorspellen. De welvaart zal geen vijftig jaar achtereen toenemen. Inflatie en deflatie blijven naast elkaar bestaan, maar wie van deze twee, wanneer en hoelang de sterkste is, weet geen mens.

Eigenlijk weet je dus niet zoveel, maar toch moet je iets aan je oude dag doen. Daarom moet je op zoek naar parallellen, als houvast. Hoe doen anderen het? Neem een pensioenfonds, dat qua opzet lijkt op de werkwijze van een belegger. Zo'n fonds put inkomsten uit de pensioenpremies en het rendement op de pensioenreserve. De uitgaven bestaan uit vaste uitkeringen, kosten en de toeslagen voor prijsstijgingen. En die zaken samen beïnvloeden de pensioenreserve.

Wie zelf wil reserveren, moet dus denken, handelen en beleggen als een pensioenfonds in het klein. Het gaat er natuurlijk om dat je een flink kapitaal achter de hand hebt als je stopt met werken, want dan stopt je maandelijkse inleg en gaan de (vaste) uitkeringen en de inflatietoeslag in. De kosten lopen door.

De zaak draait vanaf dan op de omvang van je reserve en de behaalde rendementen. Voor de gewenste vaste uitkering kan je de omvang en het rendement schatten. De omvang is ruwweg 20 tot 25 maal de uitkering, wat neerkomt op een bruto opname van 4 tot 5 procent per jaar en een ongeveer even groot rendement. Voor een opname van 10.000 euro per jaar moet je kapitaal dus uitkomen op 200.000 tot 250.000 euro per jaar.

Maar de inflatietoeslag zit daar niet echt bij. De inflatie is voor komende jaren immers een onbekende grootheid. Die moet je in theorie betalen uit een onbekende, voordelige opbrengst. Bijvoorbeeld die op aandelen, want die houden voor de langere termijn en mits goed gespreid ongeveer de inflatie bij. Voor de korte termijn werkt die koppeling niet, zoals blijkt uit de koersdalingen van de afgelopen tweeënhalf jaar en de hoge inflatie in ons land.

Je privé-pensioenpotje moet of kan net als dat van een fonds een flexibele mix zijn van aandelen, obligaties, onroerend goed en spaargeld. Je moet die mix verstandig beheren en regelmatig aanpassen. Kan een flinke klus zijn.

Dan zijn er twee problemen die een fonds niet in die mate kent. Het lang-levenrisico: leven je centen langer dan jij of ben je blut tegen het eind van de rit? En als tweede: teer je wel of niet op je kapitaal? Het eerste risico houd je in de hand door zuinige opnamen, de voornoemde 4 procent. Het tweede is een persoonlijke beslissing. Ontvang je naast de eigen opnamen een levenslang ouderdomspensioen, dan mag je hiermee best wat risico nemen. Aan het werk.