De lucht in

Iemand die weet dat ik graag oude vliegtuigen zie, zei: ,,Kom naar Gilze Rijen. Daar staan er een paar die je vast en zeker mooi zult vinden.''

Het was een prachtige zomerdag, blauwe lucht met Rubensiaanse cumulus. Ik reed door streken waar ik anders zelden kom, Brabant, weg van het opgeleukte heksenketeltje van de Randstad. Gilze Rijen, een ouderwets vliegveldje, zoals een vliegveldje hoort te zijn. Geen mainport. geen synthetische stem die je vertelt dat káá-el-em vlucht 338 zál vertrekken, en dat mevrouw Dieëndie zich aan de balie moet melden omdat daar haar verloren instapkaart ligt, waarbij je dan veronderstelt dat ze nog niet heeft gemerkt dat ze hem verloren heeft en nu de balie niet kan vinden. Op Gilze Rijen niets van wat we tegenwoordig ,,de moderniteit'' noemen. Alleen een paar schuurachtige hangars aan de rand van een open vlakte die direct toegang tot de hele hemel geeft. Niet veel anders dan Kitty Hawk.

,,Kijk'', zei mijn gastheer. ,,Daar staan ze.'' Ja. Daar stonden vijf prachtstukken: drie verblindendend gele Harvards, een Beaver, en – ik kon mijn ogen niet geloven – een Spitfire.

,,Kan hij vliegen?'', vroeg ik.

,,Dat zul je straks wel zien.''

We gingen een kopje koffie drinken op het terrasje van het cafeetje dat bij het vliegveld hoort. Spraken wat over oude vliegtuigen, de B 17, de Lancaster en natuurlijk de Mustang, de Cadillac of the Sky.

Mijn gastheer keek op zijn horloge. ,,Zullen we de overall eens aantrekken'', zei hij.

Pas toen besefte ik dat me zou overkomen waarop ik had gehoopt: de lucht in. Het aantrekken van zo'n overall is niet ieders werk. De eerste keer, toen ik in de B 25 Mitchell van The Duke of Brabant Air Force als staartschutter mee ging, was ik met mijn linkerbeen in mijn rechtermouw gestapt. Erin ging nog vrij gemakkelijk; eruit vergde hulp. Nu ging het tamelijk professioneel, dacht ik zelf.

We stapten in een Harvard. Dat doe je achterstevoren, dan, op de zitting van de stoel staand, draai je je om en de rest gaat weer gewoon. Mijn piloot ging voorin zitten en liet me zien hoe het schuifdak moet worden behandeld.

Wie er niet gevoelig voor is, zal het niets zeggen; maar dit sluiten van het schuifdak op zichzelf is al een handeling waarbij de geschiedenis zich voor je opent. Duizenden hebben het gedaan, de hele luchtoorlog '39-'45 begint en eindigt met het schuiven van dit dakje – als je het een ogenblik zo wilt bekijken. Dat deed ik.

Dan komt het volgende historische ogenblik: het starten en het aanslaan van de motor, een donker hoesten, blauwe rook en dan het begin van het ronken dat aanzwelt tot het sonore dreunen. Altijd denk ik dan even aan Dana Andrews in The Best Years of Our Lives, waarin hij de gedemobiliseerde piloot van een B 17 speelt. Na de oorlog. Hij komt in een dump met rijen onttakelde machines van dit type. Klimt in de cockpit, slaat het stof van de kaarten, kijkt naar links en rechts en hoort het geluid van de motoren.

We taxiden naar de startbaan, met de twee andere Harvards, en waarachtig, de Spitfire zette zich ook in beweging. Om het niet te lang te maken: daar gingen vier vliegtuigen de lucht in.

Een vliegend vliegtuig van korte afstand in de lucht bekijken is iets anders dan wat je wel eens in een lijnvliegtuig overkomt: dat je in de verte met onwaarschijnlijke snelheid een tegenligger ziet passeren. Ook mooi, maar niet wat ik hier bedoel. Daar zit je ingeblikt, misschien met je vork aan een stukje koude kip te prutsen. Dit is het rauwe luchtleven.

We deden een paar formaties, in een schuine rij, in ruitvorm, bezorgden de Brabanders geluidsoverlast, en intussen probeerde ik, met de Bosatlas in mijn hoofd, te bepalen waar we ongeveer waren, zocht markante punten, maar in de lucht ziet alles er anders uit, wolken verwisselen snel van gedaante en plaats en je moet jezelf toegeven: je bent verdwaald. Ik kon me de luxe veroorloven.

Toen was de Spitfire plotseling verdwenen. Nee, in een hoek van, ik schat 70 graden, naar het zenith vertrokken, draaide, kwam met een onwaarschijnlijke snelheid terug en deed, met aan de knuppel de heer B. Macco, nog veel meer dan ik zelfs bij de Spitfire (of `Spit') voor mogelijk had gehouden. Het landen van de formatie verliep gesmeerd, het uit de Harvard klimmen ook, en zo stond S. Montag weer op aarde, als een vernieuwd mens, zich bevrijd voelend van alle onzin die hij, voor zo lang het had geduurd, onder zich had gelaten.

Maar de avonturen waren nog niet ten einde. De heer Macco wees op die stoere, eenmotorige hoogdekker, de Beaver, en zei: ,,We gaan nog even een rondje maken.''

(Wordt vervolgd)